Liefde overwint alles, zeggen ze…en ja, het heeft ons een tijdlang goed vooruit geholpen. We hebben geen herrie gemaakt over de oorzaken van de hiv-explisie in huis. We hebben nooit uitgezocht wat nu werkelijk de oorzaak was. Die diende zich op een goeie dag uit zichzelf aan…

Zover was het nog niet op die woensdag dat Jeltje plotseling verschrikkelijk begon te spugen…meer dan verschrikkelijk. Het leek erop dat haar slokdarm door haar mond naar buiten wilde komen. Er kwam geen eind aan het kokhalzen, ook niet toen haar maag al helemaal leeg waren. Haar darmen namen daar trouwens geen genoegen mee want vrijwel meteen daarna rende ze naar de WC en liet ze een lading diarree los zoals ik nooit eerder had gezien. Ik hoorde de meest verschrikkelijke geluiden van de WC komen terwijl ik bezig was de boel te ruimen…

“Het is de bijwerking van de aidsremmers, zei ze mat. ” Die beginnen hun tol te vragen. Ik ben zo misselijk als een kat  en het maakt niet uit of ik net gespuugd heb of niet. Ik voel me ziek, zo verschrikkelijk ziek en het ergste is nog dat ik straks weer iets moet innemen tegen de misselijkheid. Op die manier word ik echt een pillendoos!”  De tranen spoten nu uit haar ogen en ze dook met haar gezicht in mijn schouderholte. ” O, wat hebben we toch misdaan, waarom moet dit, ik kan dit echt niet meer….”  Haar adem begaf het bij tijd en wijle tussen de lange, huilende uithalen en haar woorden. Die gingen onder in het tranenwater dat haar beheerste. En ik? Ik probeerde mijn verdriet in stilte weg te slikken. Wat was mijn verdriet tegenover het hare? De vrouw waar ik zoveel van hield, mijn meesteres, mijn gids, mijn eeuwig verlangen…

We aten in stilte. De emoties van die ochtend lieten geen woorden meer toe, ze zouden stuk voor stuk kapot zijn gevallen op dat wat we hadden beleefd. Zelfs het kauwen ging langzaam en bij Jeltje met tegenzin. De misselijkheid had zich wat teruggetrokken maar ze was nu bang dat het elk moment terug zou kunnen  komen. Ze at uiterst kleine hapjes en dan nog heel langzaam achter elkaar ook. Alsof ze over ieder hapje nadacht als een belangrijke stap in haar leven. Ik besloot niet sneller te eten dan zij, ik wilde dat we bij elkaar hoorden, samen oplopen…zo zou het moeten zijn….

De misselijkheid werd niet minder en het spugen en de diarree ook niet. Integendeel , het kwam steeds vaker voor en inderdaad vroegen we om pillen tegen de misselijkheid. Dat was dan weer moeilijk want als het tegen zat , spuugde ze de pillen uit tijdens één van haar kotsbuien en dan hielpen ze dus weer niet. Het was ellendig om aan te zien hoe ze haast elke dag bleker en magerder werd en hoe ze meer door huis begon te strompelen. Het was raar, soms had ik het idfee dat ze helemaal niet echt ziek was maar dat ze zich alleen maar beroerd voelde. Onzin natuurlijk maar het was een beeld en misschien ook wel een stille hoop.

Die woensdagavond kwam ik thuis en hield ik haar stevig in mijn armen en voelde ik hoe heel haar lichaam trilde. ” Laten we gaan zitten”, zei ze zacht. Haar benen voelden aan als gummi, zei ze en fatsoenlijk staan was er niet bij. Honger en misselijkheid vochten in haar lijf om de heerschappij. Zo zei ze het zelf ook en vaak had ze het gevoel zelf helemaal buiten die strijd te staan. Alsof ze er part nog deel aan had. En ik wist dat ik er in elk geval niets aan kon doen. Die machteloosheid, die voel ik nu pas ten volle. Niet op die woensdag en niet op alle dagen die erna kwamen. Niet bij elke keer als ik haar in m’n armen nam. Nee, dan niet….

Ze vermagerde niet snel en ook niet alsmaar achter elkaar door. Van tijd tot tijd ontstonden er zelfs vetophopingen op plaatsen waar ze ze vroeger nooit had gehad, waar ze vroeger niet te dik was geweest, op haar heupen, bleef het nu plotseling hangen. En op haar bovenarmen ook….  We deden geen moeite meer om die plotselinge  veranderingen weer terug te draaien. Er waren belangrijker dingen te doen. Aan Jetljes lijf geen Sonja Bakker. Belangrijker was het om van elkaar te genieten, zoals we waren.

We knuffelden bijna de hele tijd als ik thuis was. Op sommige dagen kwam ik heel laat thuis omdat ik als partner in het bureau nu eenmaal nogal wat verantwoordelijkheden had. Het voordeel was dat we geregeld op stap konden gaan met z’n drieën, geld genoeg, auto aan…en wegwezen, naar de mooiste plekjes van het land, de leukste winkels en soms, een heel enkele keer naar een bijzonder restaurant. Dat laatste was natuurlijk wel oppassen gezien de misselijkheid.

Jeroen vond het allemaal prirma. Hij scheen het vooral heel belangrijk te vinden om dicht bij zijn moeder te zijn en hoewel hij er eigenlijk te groot voor was, lieten we hem soms tussen ons in slapen. Hoelang zou hij nog van zijn moeder kunnen genieten? Van haar aanwezigheid, haar knuffels en haar zorg? De problemen op school waren voorbij nu we hem meer aandacht gaven en dat was ook voor ons een opluchting. Natuurlijk omdat we hem het liefst gelukkig zagen maar ook omdat een extra probleem erbij niet te dragen viel….

 

Advertenties

Het was een leugen of misschien gewoon gezichtsbedrog. Ik voelde met elke vezel in me aan dat Jeltje dolblij was dat haar zusje weer was opgelazerd. Ja, opgelazerd, in stilte dacht ze in dat soort termen. Natuurlijk wist ze heel goed welke rol Froukje voor mij vervulde, ja, ze had er bijna met haar neus bovenop gestaan, bijna was ze een paar keer haast over ons gestruikeld.

In werkelijkheid wilde Jeltje mij weer helemaal voor zichzelf. Niet alleen om mee te praten maar ook voor de seks. Natuurlijk, daaraan waren risico’s verbonden maar die golden vooral voor mij. Zijzelf was immers al behoorlijk ziek. Ze had weinig meer te verliezen. En zo malden mijn gedachten maar in mijn hoofd. Ze leken bij tijd en wijle bezit van me te nemen en dan keerde ik mij in gedachten ook weer van Jeltje af. Het vertrek van Froukje had op onze verhouding geen goede uitwerking.

Ik merkte wel dat ik achterdochtig was en soms zei ik tegen mezelf dat ik overal veel teveel achter zocht maar op de lange duur hielp dat niet. Ik bleef Jeltje wantrouwen. Dat nam niet weg dat we elkaar wel weer wat meer opzochten, logisch nu Froukje er niet meer was.

Op een ochtend had Jeltje zelfs heel ouderwets de tafel gedekt voor het ontbijt, het leek op onze eerste dagen, toen we pas bij elkaar waren. Dat deed me goed. het leek zelfs of de kamer weer net zo rook als toen en ook Jeroen vond het prettig. Hij begon zich haast als een normaal kind in een normale situatie te gedragen. Hij zat te wiebelen in z’n stoel, iets waarvoor heel veel ouders hem ene draai om de oren zouden hebben gegeven. Wij niet, wij zaten dicht naast elkaar en vrijdden voetje en dacht aan alternatieven voor penetrerende seks. Dat kan, ja het kan….

Maar niet bij het ontbijt want ik had nog steeds te maken met een klokje van gehoorzaamheid waaraan ik tegemoet moest komen. Van dat klokje was heel veel afhankelijk: huis, eten, drinkjes en noem maar op…en de auto, die natuurlijk ook. Alles bij elkaar was dat klokje nog behoorlijk onmisbaar en…voor mij was het een dagelijkse vlucht uit de sfeer in huis. Natuurlijk, die bepaalde ik voor een groot deel zelf maar ….pfff…weer zo’n vat vol gedachten in mijn hoofd en altijd weer die negatieve gedachten over de vrouw waar ik nota bene het meeste van houd, hield….   Ik kon die gedachten niet stil zetten. Vooral niet als ik eraan dacht hoe zorgeloos het allemaal nog had kunnen zijn.

Nou ja, voor zover je zorgeloos kunt leven als je een kind hebt. Mensen zeggen altijd dat je jeugd voorbij is als je kinderen hebt, dan krijg je de zorg voor ene hulpeloos wezen en toch….er is niets zo hulpeloos als een volwassenen die ongeneeslijk ziek is. Dan heb je pas met hulpeloosheid te maken. Zo’n kind, ons kind, Jeroen, hij kon het alleen maar opvrolijken. Na die verschrikkelijke keer in het ziekenhuis, was hij haast een rondrennende glimlach in huis geworden. En ja, we gingen anders met hem om dan voor die tijd. Kon het ook anders? Ons leven was toch ook volledig overhoop gegooid? Langzaamaan moesten we wennen aan de gedachte dat Jeltje dood zou gaan…eerst ziek zou worden en dan dood zou gaan. Wanneer? Dat was moeilijk te voorspellen. De dokter had gezegd dat het een paar maanden kon duren maar ook nog heel veel jaren.

Hoe leer je daarmee leven? “Mevrouw, u kunt volgende week doodgaan maar u kunt ook 80 worden…we zullen zien.”  Die doktoren zijn zo knap tegenwoordig…of misschien toch niet? Soms zaten we samen een potje te schelden op de huisarts en het ziekenhuis en op alle specialisten die we kenden en de apotheker en dan maakten we onszelf wijs dat we daar iets aan hadden. Het werd soms zelfs laat en dan ging het schelden over in zoenen en strelen en seks zonder seks omdat we gewoon niet in elkaar durfden te komen. Maar houden van elkaar…ja dat maak je met een ziekte niet kapot…

Soms hadden we de hoop dat onze liefde de ziekte kapot zou krijgen maar die gedachte vervloog week na week en op ene goeie dag zei Jeltje, ” jongens, als ik ga sterven, willen jullie dab ook niet net blijven doen alsof ik er nog ben? Sommige mensen doen jarenlang of de overledene er nog is. Dat doen ze uit respect of uit gewoonte off allebei tegelijk…mij moet je meteen vergeten.”  En toen huilden we…Jeroen niet, die begreep niet goed waarom zijn moeder het had gezegd. Hij had de woorden wel gehoord maar hij begreep nog niet dat het allemaal dichterbij was dan hij dacht.

We zaten nooit meer op de grond. Sinds Froukje de deur uit was, zaten we weer altijd op een stoel en heel vaak aan tafel om te eten. Het leek weer steeds meer een gezin. Een gezin waaraan je aan de buitenkant niets bijzonders kon zien. Die zomer ging Jeltje met mooi weer zelfs weer naar buiten. Het kostte haar moeite om in de zon te zitten maar in de schaduw kon ze het lang volhouden. Ze voerde zelfs weer vrolijke gesprekjes met de buurvrouw en als die vroeg waarom ze was opgehouden met werken, dan zei ze doodeenvoudig ” Voor Jeroen.”  Dat begreep iedereen.

Hij huilde meer…niet alleen ’s avonds in bed maar ook overdag. Het leek of hem permanent iets dwars zat. Aan de andere kantcwaren wij er ook vaker voor hem, al dagen. Nu was gebleken hoe erg Jeroen had geleden onder de afzondering van de ouderen in het huis, bekommerden we ons meer om hem.

Niet dat het er vrolijker  op werd, zeker de eerste dagen niet. Het huilen hield soms haast niet meer op en het was onmogelijk om hem naar school te laten gaan. Integendeel, na twee dagen bezochten Jeltje en ik met hem de huisarts. We kenden de dokter goed, natuurlijk kenden we hem goed maar na zijn onheilsbericht van een maand of twee geleden kwamen we er liever niet meer. Er gebeurde waar we bang voor waren geweest. Hij zette een ernstig gezicht en begon ene uitvoerig, ernstig gesprek over onze gezinssituatie. Ik moest ter plekke antwoorden verzinnen want ik had geen zin om op alle details in te gaan. Dat we altijd op de vloer zaten, vertelde ik niet maar wel dat de gordijnen half dicht waren. Hij kon dat niet goedkeuren. Volgens hem ontstond daardoor ene depressieve toestand in huis, een toestand ook waarbij Jeroen zich steeds zou afvragen waarom dat bij os zo was en bij anderen niet…

Het was een stortvloed van oppervlakkige meningen en opvattingen die over me heen kwam, sommige onderbouwd, andere weer nauwelijks. Een enkele keer schreef hij de toestand aan gebruikte geneesmiddelen toe. Ik kreeg het gevoel dat achteruit mijn hoofd de jeugdpsychiater op kwam dagen en het was alleen nog maar wachten op dat woord maar nee…het bleef uit. ” Ik raad u aan Jeroen te laten deelnemen aan het moestuinproject dat door Jeugdzorg is opgezet in het kader van grootscheepse zorgpreventie”, zei hij. Ik weet haast zeker dat ik hem even met open mond heb aangekeken o aan te geven dat ik hem niet begreep maar de dokter liet zich daardoor niet van de wijs brengen.

Hij hield een lang betoog over de gunstige uitwerking van het moestuinproject, juist op kinderen die thuis met problemen te maken hebben. ” De gemeente subsidieert het”, was zijn laatste opmerking die klonk als het allerlaatste en absoluut overtuigende bewijs dat het iets goeds was.  Ik weet niet meer wat ik gedaan heb, of ik eerst gezucht heb of dat ik meteen ben opgestaan. In elk geval had de dokter nog de tijd om een formulier half in te vullen dat ik op moest sturen om in aanmerking te komen voor het moestuinproject. Ik heb de man nog een hand gegeven ook. Ja, ik heb zelfs “dank u dokter”  en ” tot ziens”  gezegd. Eenmaal buiten heb ik het formulier overhandigd aan een man van de plantsoenendienst die even uitrsutte terwijl hij op een hark leunde.

Het probleem voor Jeroen was daarmee natuurlijk niet van de baan. We begonnen serieus na te denken over verhuizen en een andere school en zochten ook naarstig onze hersens af om te kijken of we iemand kenden die Jeroen kon helpen. Maar…het werd nog erger. Twee dagen  na het bezoek, meteen nadat we het bed uit waren, riep Froukje  ons met slaperige stem weer bij elkaar. Ze vond dat de band wat aan het verwateren was, mogelijk kwam het door de toestand met Jeroen maar hoe dan ook…het was allemaal wat minder “close” geworden. Ik denk dat ze gelijk had maar op dat moment was het aslof ik mijn hart letterlijk in mijn schoenen voelde zakken. En toch…ik besloot me niet te verzetten. Dat had ze niet verdiend. Ik zei niet: ” Maar meid , je weet toch wel dat ik je helemaal niet kan missen?”  Ik zei doodleuk: ” Maar meid, je weet toch wel dat WE je niet kunnen missen?”

Het was een welbewuste tactische variant maar Froukje weigerde erin te trappen. ” Nee, ik vind juist dat jullie steeds beter zonder mij kunnen. Ik heb mijn tijd hier gehad”, zei ze en ze lachte er zelfs bij. “Het is nu weer ana jullie drieën om er voor de rest van de tijd iets moois van te maken”  ” En jij dan?”  vroeg ik terwijl ik wist dat mijn teleurstelling in de vraag duidelijk doorklonk. “Ik?” vroeg ze dapper. ” Ik ga weer naar huis, naar die oen van me toe en kijken of we er toch nog iets moois van kunnen maken.” Ik was verbijsterd. Kennelijk kon ze zich met die muppet van een man net zo goed vermaken als met mij, tenminste, die mogelijkheid hield ze open…

Froukjes besluit stond vast en ik was de laatste die met haar in discussie wilde gaan al wist ik bij voorbaat dat ik haar verschrikkelijk zou gaan missen. Ze was de helft van mijn huwelijk geworden en dat sloeg niet alleen op de seks.Maar ik slikte mijn teleurstelling in, ja, het was meer teleurstelling dan verdriet maar wel ene heel grote. Ik had gedacht dat Froukje in flinke mate aan mij gehecht was geraakt maar dat viel me nu zwaar tegen.

Misschien had Jeltje de sleutel van alle problemen in handen. Ze zei niet veel toen Froukje haar vertrek anakondigde, sloot haar in haar armen en gaf haar een paar stevige zoenen. ” Je bent een fantastische  zus en schoonzus”, zei ze. “Je hebt ons geholpen en gesteund waar je kon en op die manier een oplossing voor jezelf gevonden. Ik ben blij voor je…”  Ik zag dat ze haar tranen niet kon inhouden,. ze dook met haar gezicht op mijn schouder…” We moeten het nu weer zelf doen”, fluisterde ze nog.

Froukje en ik lagen die ochtend in een standje 69,5 verwikkeld. Het moet gezegd worden. Van de twee zussen was zij degene met de beste seks, Jeltje had de beste babbel. Overigens…ze maakten elkaar niet heel veel uit op die gebieden maar Froukje was door de omstandigheden steeds meer mijn sexing-partner geworden.

In zo’n houding waren we meestal nog al onbereikbaar maar deze keer was het anders. De deur vloog open en Jeltje kwam luid schreeuwend binnen. “Jeroen, o God, ze hebben Jeroen…!” Ik weet niet meer hoe ik het deed maar ik sprong onmiddellijk recht overeind. Froukje rolde op haar zij en kroop zittend in een hoek bij de verwarming. Bibberend van de kou, even zo goed maar ook heel stil. Ze voelde zich op de één of andere manier schuldig.

“Wie heeft Jeroen te pakken?”  vroeg ik geschrokken terwijl ik mijn arm heel stevig om Jeltjes schouders heen sloeg. Het was vreemd om te merken dat ze daarop nauwelijks reageerde door steun bij me te zoeken zoals ze vroeger altijd had gedaan.”De jongens…de jongens…” snikte ze. ” Het komt doordat we nooit meer op hem hebben opgelet”, ging ze verder.  “We zijn het oog gewoon op hem kwijtgeraakt.” Nog steeds vroeg ik me zenuwachtig en gestresst af wat er precies aan de hand was maar op dat moment kwamen er geen woorden meer uit Jeltje. Ze huilde alleen maar en ik sloot haar sterker in mijn armen. Deze keer gaf ze wel toe en ontspande ze zich helemaal  tegen mij aan.

Ik had geduld geleerd, niet van mijn ouders maar juist van Jeltje en dus wachtte ik, ik wachtte en het verhaal kwam na een paar minuten. “Ze hebben hem helemaal in elkaar geslagen en geschopt. Hij ligt in het ziekenhuis en is bewusteloos…”  onmiddellijk barstte ze weer uit in tranen, haar geschreeuw ging me door merg en been want ik wist dat ze zichzelf de schuld gaf. ” We hebben te weinig aandacht aan hem besteed, de laatste maanden”, snikte ze.  “Hij wordt al tijdenlang heel erg gepest omdat hij zich zo terugtrekt op school en nu dit…o God, ik ben zo bang…. . o God, mijn kind, ze hebben hem kapotgeslagen…”  De laatste woorden krijste ze uit, het was niet eens meer haar eigen herkenbare stem…

Froukje had zich inmiddels in stilte teruggetrokken en was baar haar kamer gegaan om kleren aan te doen. Ze mompelde in zichzelf en ik kon aan haar gezicht nog net zien hoe zij zich het verdriet van haar zusje aantrok. Jeltje keek me nu aan, het leek of haar ogen bovenop een meer van tranen dreven. Ik kon niet veel anders doen dan strelen en zoenen en haar zoenen ontvangen want ze kuste mij aan alle kanten nu. ” Ons kind”, bracht ze eindelijk schor uit. ” Moet dan alles van onze liefde kapot gaan? Ons kind, het is verdomme ons kind…!”

Het sneed door mijn trommelvliezen, ruggenmerk, achterhoofd, het sneed door alles wat ik had…haar wanhoop en de mijne en ik kon niets doen want de machteloosheid id het eerste wat zich opdrong… “We gaan erheen….” fluisterde ik maar Jeltje schudde haar hoofd. ” Dat kan nu niet, ze hebben gezegd dat we vanmiddag kunnen komen, niet nu…. .”  Ik voelde emn innerlijke woede opkomen en kreeg ook het gevoel dat ze mijn vrouw behoorlijk hadden afgepoeierd. “Hoe kan dat nou, waarom zouden zijn ouders niet mogen komen?”  vroeg ik woedend maar Jeltje zat een beetje verdwaasd voor zich uit te staren. Het leek of ze de schok niet te boven kon komen. Hoe konden anderen haar zoon zoiets aan doen. ” Alles gaat dood”, zei ze zachtjes. ” Al het leven rondom mij gaat dood of kapot.” Ze sprak de woorden uit zonderdat haar gezichtsuitdrukking veranderde. “Het is allemaal begonnen met die ene keer met… ”

Ze keek me schichtig aan en gluurde toen weer gauw uit het raam alsof ze zich realiseerde dat ze een geheim had verklapt, al was dat niet zo. Ik besloot er niets over te zeggen, er niet op i te gaan…Jeltje had het al moeilijk genoeg. We hadden het allemaal moeilijk…we moesten allemaal eruit zien te komen. Hoe zouden we gemakkelijk verder kunnen leven, in de wetenschap dat dit het gevolg was van ons prettige, warme, knusse samenzijn?  Van onze afsluiting naar buiten, die onverbreekbare eenheid van drie mensen….die drie mensen die alles waarin ze zo kwetsbaar waren, maar even waren vergeten, even over de schutting hadden gegooid? Nee, zo mocht je dat niet zeggen…

Maar hoe dan wel? Het was toch waar dat we Jeroen gewoon een beetje z’n eigen boontjes hadden laten doppen? Het was toch waar dat we niet of nauwelijks met hem hadden gesproken, alleen met elkaar? Over onze eigen angsten en problemen en gevoelens? En verder hadden we er toch maar zo’n beetje op losgeneukt waar het kon?  Ja, dat was waar!

Het kostte mij geen moeite om de telefoon te pakken en het ziekenhuis te bellen. Ik voelde me opgelaten, sjagrijnig, kwaad en nog veel meer. Ik wilde als vader gewoon mijn zoon kunnen bezoeken, mijn zoon die eigenlijk door mijn eigen toedoen in het ziekenhuis was beland. DE juffrouw aan de andere kant bleek erg begrijpend te zijn…zo begrijpend dat ik begreep waarom ze ons nog even niet op bezoek wilden hebben…het viel niet mee, dat wachten in schuldbesef…

 

Jeroen…ik heb hem een paar keer “het zoontje”  genoemd en dat is kenmerkend. Jeroen…hij leek als het ware een leven van zichzelf te leiden, wat natuurlijk niet kon. Vooral sinds hij naar school ging, onttrok zijn doen en laten zich dagelijks lange tijd aan  ons blikveld en nu we in de nieuwe situatie waren geraakt, was dat nog sterker. Van Herman, de kater, kon je nog zeggen dat hij om de haverklap om aandacht vroeg maar Jeroen…die was gewoon urenlang onder de pannen bij iemand anders.

Zelfs tussen de middag kwam hij niet meer thuis. De school was echt van alle markten thuis en gaf de leerlingen te eten en te drinken. Dat kostte wat meer dan had je ook wat en ik hoefde hem alleen maar om 08.30 af te zetten en om 17.00 uur weer op te halen. Vaak wilde hij dan nog met een vriendje spelen, wat we ook weer prima vonden ” Maar niet bij ons thuis, Jeroen, dat kan nu even niet… .”  Ik geloof niet dat Jeroen het heel erg vond. De sfeer in huis was misschien niet zo geschikt voor spelende kinderen. Hij voelde dat natuurlijk maar een enkele keer zag ik iets in zijn ogen, ik zag het maar ik deed er niets mee. Ik bleef onverbiddelijk en hard. We konden geen spelende kinderen in huis hebben. We wilden zelf immers op de grond zitten, met drie volwassen mensen. Het was opmerkelijk dat Jeltje er ook nooit om vroeg. Gek genoeg was haar behoefte aan Jeroen om zich heen maar heel klein. Alleen ’s avonds, tegen bedtijd, als ze hem naar bed bracht en voorlas….dan was er een ondoorgrondelijke eenheid en liefde tussen die twee… Ze las voor, ze las voor en het kon haar niet schelen hoelang het duurde en waarover het ging. Na afloop had ze altijd de tranen in haar ogen staan…

Maar wat moest ik ermee? Ons samenleven was helemaal niet geschikt voor de verzorging van kinderen tussendoor. Eten en wegwezen was het devies. Neuspoetsen, zelfs daarvoor was overdag zelden tijd. Nu, nu ik zo nu en dan weer naar Jeroen kijk, hoe hij door huis loopt op zoek naar iets dat hij niet kan vinden, zijn moeder die hij zo heeft genist…en dan, hij heeft geen besef hoe erg zijn moeder hem heeft gemist. Want zelfs al deed ze weinig om haar zoontje in haar omgeving te hebben, ze miste hem tot op het bot, en nog dieper…tot in haar baarmoeder die nu zo vreselijk no-go area was. Jeroen was het enige tastbare bewijs van haar moederlijkheid, ze was dat wat ze diep in zich had gedragen en wilde dat niet vermengen met de vuiligheid die zich daar nu bevond…

We spraken er nooit over maar ik kon het aan haar zien. Aan haar gebaren en haar lichaamshouding als ze Jeroen over zijn krullen streelde maar vooral….asl ze hem voorlas. Ik kon het ook zien als Froukje dat een enkele keer deed omdat Jeltje het gewoon niet meer kon opbrengen aan het eind van de dag. Dan was er haast haat en nijd in haar ogen. Geen haat tegenover Froukje maar haat voor alles….en haat voor haar eigen onvermogen van het moment…

Uit alles bleek dat ze Jeroen miste, ze miste alles aan hem. Hoe hij groot werd, blij was, speelde, huilde en beter leerde spreken en leerde schrijven…alles….  Soms huilde Jeltje zo maar ineens en dan vroeg ik niet eens waarom. Ik sloot haar in mijn armen en dacht eraan hoe blij ik was dat ze er nog was. Ik vroeg niet meer naar oorzaak en schuld en boete, ik vroeg alleen maar om leven….

Ik weet niet wat Jeroen is bijgebleven van die dagen. Ik merk wel eens een soort schuwheid tegenover andere mensen, juist de mensen die hij goed zou moeten kennen. Ooms en tantes die we nu wel weer eens opzoeken, het lijkt of het vreemden voor hem zijn.  Of hij er afstand van wil nemen. Dan duikt hij haast tegen me weg terwijl ik van hem volwassen gedrag verwacht. Pas later op de dag bedenk ik me dan vaak dat hij er niets aan kon doen en nu nog steeds niets aan kan doen. Het moet slijten, de eenzaamheid die hij als klein kind heeft ervaren…die heeft zich dieper in hem ingevroten dan we hadden gedacht.

vandaag vroeg hij me of hij een foto van zijn moeder op zijn kamer mocht hebben. ” Gewoon om vanuit mijn bed naar te kijken”, zei hij. ” Dat was wat hij zei maar ik weet zeker dat zijn verlangen verder gaat. Ik weet zeker dat hij met zijn moeder praat, vanuit zijn bed. Dan bedenkt hij hoe ze op de rand van zijn bed zit, dan voelt hij weer hoe haar hand door zijn krullen gaat en hoe ze hem een nachtkus geeft….die foto heb ik gegeven, in een eenvoudige lijst want het beeld mag niet worden verstoord….

 

 

Ik weet niet wat ons overeind hield of misschien weet ik het nu wel. Toen wist ik het in elk geval niet. Het leek meer op een soort bestaan waarbij het bewustzijn volledig was uitgeschakeld. Pas een dag of meer dagen na een handeling, bleek mij wat de betekenis ervan was en wat mijn drijfveren waren geweest.

Nooit heb ik later ook pogingen ondernomen om uit te rekenen hoeveel liter drank er in die dagen doorheen is gegaan en hoeveel cocaïne we snoven. Ja, dat ook want drank en cocaïne zij de beste middelen om te vergeten dat je in ene geordende samenleving leeft. Niets is zo erg als een geordende samenleving als je je hebt voorgenomen gewoon ene leven te leiden zolang het leuk is.

Geborgenheid, geborgenheid, dat zochten we alle drie, geborgenheid in de wetenschap dat de buitenwereld niet wist hoe en wanneer we ons misdroegen. Niets is zo liefdevol als het gedeelde, verschrikkelijke geheim, zo lijkt het me nu want ik kan me niet herinneren dat er daarvoor of later tijden zijn geweest waarin ik zo godsgruwelijk van twee vrouwen tegelijkertijd heb gehouden.  Natuurlijk, voor het kind, voor het kind en de kat was het minder. Ik denk dat zij te weinig aandacht hebben gekregen in die tijd maar ja…aan de andere kant…het duurde alles bij elkaar maar ene paar maanden dus…

Ja, ik weet het de schade die je een kind toebrengt, is in een later stadium nauwelijks nog goed te maken. We hebben in later jaren wat afgetobd met “professionele hulp” maar daarover kom ik nog te spreken. Ja, ik denk dat we hem tekort hebben gedaan. De kat niet, die kreeg volop aandacht. Vooral Jeltje was erop gespitst elke ochtend voor hem een bordje magere melk en wat brokjes neer te zetten. Dat werd beloond doordat hij bij mij op schoot kwam zitten en zo hard spinde dat de hele familie me afgunstig aan zat te kijken. Soms vraag ik me af of poes ook begreep wat er gaande was, dat ze intuïtief het goede gevoel had.

What the heck, the cat! Nou, dat kon je zo niet zeggen want de kat was ons aller vriendje, de enige die volledig schuldeloos door het huis sloop en liet zien dat er meer was dan onze eigen muizenissen en doemdenkerijtjes. Hoe dan ook, een blijk van de veranderde waarden en normen was dat we steeds vaker op de grond zaten. Zelden of nooit zochten we onze stoelen en banken op. Zelfs eten deden we zittend op de grond. We hadden het gevoel dat we op onze stoelen en aan tafel teveel zichtbaar waren voor passerende buren. We hadden niet zoveel behoefte aan gezwaai en wuiven. We hadden echt meer dan genoeg aan onszelf.

Daar kwam nog bij dat stoelen, tafels en banken dwingend zijn als het gaat om de manier van zitten. Froukje had er ene pesthekel aan. Stoelen en banken deden haar denken aan haar man, die man met die godsgruwelijke voornaam die je het liefst zo diep mogelijk in de grond zou willen begraven of door het riool zou willen spoelen. Ze voelde zich in een stoel of op ene bank net zo gevangen als in haar huwelijk met die nitwit, die man die trouwens opmerkelijk minder vaak belde. Een enkele keer maakte ik er een opmerking over en dan zag ik een hoopvol licht opgloeien in haar ogen.

Jeltje zat het liefste op de grond omdat die haar de meeste bewegingsvrijheid gaf. Je kon er zitten, hurken, liggen, hangen zonder dat het nodig was om je te verplaatsen. “De grond is alles wat ik nodig heb om me gelukkig te voelen, en mijn man”, zei ze dan en dan sloeg ze haar beide armen heel klemmend om me heen. En dat…dat….maakte mij dan weer meteen heel duidelijk waar we eigenlijk mee bezig waren. Soms schoot het door me heen dat het misschien de laatste “loodjes”  waren want wanneer zou het onafwendbare zich voor gaan doen? Jeltje was steeds vaker moe en misselijk terwijl Froukje en ik nog relatief fris en vrolijk rondliepen. Jetje, mijn Jeltje….er ware momenten dat ik me helemaal alleen opsloot in een lege kamer en voelde hoe de tranen opwelden en vervolgens naar buiten spoten… Ik wilde die momenten niet aan haar laten zien en ook niet aan Froukje.

Het was mijn eigen energie en mijn eigen kracht die zulke momenten op moest vangen, zo vond ik. Van tijd tot tijd vroeg Jeltje me waarom ik me wel eens terug trok en dan moest ik smoezen verzinnen over geld tellen en boodschappen voorbereiden of iets voor het werk want ja….die meiden zaten de hele dag in huis maar ik moest dagelijks de deur uit. Hoewel, het was Froukje die ook steeds vaker aanbood om boodschappen te gaan doen. Ook zij hield het bij tijd en wijle toch ook niet alleen maar binnenshuis uit. Ik merkte dat wel en soms bekroop me de angst dat zij eigenlijk ernaar verlangde naar die grijze, gezichtloze, onbeweglijke slagboom die haar man was terug te willen gaan. Dat ze zich langzaam daarop voorbereidde maar ze zei er niets over. Daarom besloot ik haar er eens naar te vragen….maar ene nog groter vraag was: wanneer zou daarvoor het juiste moment zijn?

Juiste momenten….daar kwam alles op neer en ze waren steeds moeilijker te vinden omdat alles wat we deden vlagen van spontaneïteit en misschien moest het ook wel zo gebeuren. Misschien moest ik het gewoon een keer vragen als ik de woorden niet langer binnen kon houden.

Koud, ijskoud! Het liet me helemaal koud! Junior partner bij het architectenbureau…vroeger zou het me iets gezegd hebben maar ik merkte nu meteen al dat ik er geen enkel gevoel bij had. Misschien heb ik glazig voor me uitgekeken, misschien was ik snel met opstaan. De chef moet iets gemerkt hebben, iets dat niet klopte. Ik gaf hem niet een een hand om te bedanken, stond op en met een stijf hoofdknikje liep ik de kamer uit. Misschien dacht hij wel dat ik te veel was afgebluft door de snelle promotie.

Ik hoorde de deur van de kamer net iets te hard achter me dichtslaan en een argeloze voorbijganger zou gedacht hebben dat er net een forse ruzie uitgevochten was. Dat beeld werd nog versterkt door de sloffende gang die ik er op na hield totdat ik mijn stoel had bereikt. Onder weg groette ik nog al lusteloos een paar collega’s. Het viel niemand op. Ik had het gevoel dat de meesten mijn komend ontslag in het verschiet zagen maar daar hadden ze zich dus lelijk in vergist. Kijk, dat was nu wel weer aardig en ja, het liet heel even iets in me zingen maar die uitgelatenheid bekoelde snel. Ik vreesde dat ik als partner harder zou moeten gaan werken, meer uren zou moeten maken en daar had ik echt geen tijd voor. Zo heb ik de hele m iddag gezeten met mijn handen in mijn haar en mijn hoofd rustend in mijn handpalmen. Niemand kwam langs, wat karakteristiek was voor de periode van crisis…het ging slecht in de bouw…

Die avond kwam ik thuis en Jeltje vroeg mij meteen of er iets ergs was gebeurd op het werk. Het was aan me te zien klaarblijkelijk dat ik niet bepaald blij was. ” O nee”, loog ik. ” Gewoon een beetje moe, zware gesprekken gehad en gezeur over teruglopende opdrachten maar verder niks…. ” Ze willen je niet kwijt?”  vroeg zij met een trillende stem en ik schudde mijn luizenbos. ” Nee hoor, ze zijn allemaal hartstikke blij met me. Wat schaft de pot vandaag?”  Intussen bekommerde ik mij met mijn zoon die altijd nog idolaat naar mij kon opkijken.

“We hebben je lievelingskostje”, glimlachte Jeltje, “bruine bonen met spek.”  Hoewel ik de enige was die zo nu en dan boodschappen deed, wist ik niet eens dat we zoiets in huis hadden. ” Dat is een meevaller”, lachte ik. ” Ja, dat lijkt me wel iets.”  Ik vroeg me af war Froukje was maar wilde niets vragen. Iets in mij zei me dat zij zo maar van de ene op de andere dag kon vetrekken, een ander spoor in de wereld volgend. Ik concentreerde me op het spel met mijn zoon en dat was heerlijk. Een tijdlang leek het of alles ver weg was: hiv, aids, werk en zelfs Froukje…. We speelden, we speelden…totdat Jeltje met heteten binnenkwam. ” De heren kunnen aan tafel en…”, zeven pauzeerde ze, ” de dames ook.”

Froukje kwam binnen in een prachtige jurk, een jurk die ze nog niet eerder had gedragen sinds ze bij ons logeerde. In  werkelijkheid had ze helemaal geen jurk aan gehad maar alleen een T-shirt en een spijkerbroek. Ik kon het niet helpen dat mijn mond openviel. Jeltje zette wijn op tafel, wijn bij de bruine bonen met spek. Ik keek daar niet van op, we hadden al heel lang de gewoonte bij elke gelegenheid wijn op tafel te zetten. Toch kreeg ik ene onzeker en onaangenaam gevoel erbij. ” Hebben we iets bijzonders te vieren?”  Jeltje en Froukje schoten allebei tegelijk in de lach, het deed me plezier de beide meiden zo vrolijk te zien maar ik wist nog steeds niet wat er aan de hand was.

Froukje hief als eerste haar glas en met ene brede glimlach op haar gezicht begon ze te praten. “Vandaag is het voor het eerst dat mijn man me vijf dagen achter elkaar NIET heeft gebeld”, zei ze triomfantelijk. Het klonk als authentiek, vrouwelijk sarcasme. “Hiephiephoera”, bracht Jetje er kuchend uit doordat ze zich verslikte in een stukje brood. Ook zij hief het glas met fonkelende rode wijn hoog op. Ik kon niet achterblijven al schoot de gedachte door me heen om het glas zonder al teveel poichtplegingen in één teug leeg te klokken. Nee, ik tilde mijn glas op en keek de meiden lachend aan.mijn meisjes dus…er kroop iets vertederds in mijn hoofd…niet lustig maar vertederds…ik hield van ze….

We nipten van de wijn en opnieuw drong het tot me door, ik had niets anders nodig dan deze twee heerlijke zusjes en mijn zoon om gelukkig te zijn. Dat hele partnerschap kon me gestolen worden, misschien moest ik het morgen gaan zeggen. Dan kon een ander misschien thuiskomen bij zijn vrouw en kreeg hij ook eens een schouderklopje of compliment. Ik wenkte Jeltje die ene plekje tegenover mij had ingenomen terwijl Froukje juist naast me zat. Ik wilde haar ook bij me en m’n zoontje…met z’n vioeren. Mijn armen sloeg ik om die fragiele schouders heen. Het werd een avond van weinig eten maar dat hoefde ook niet. We leefden ergens anders van….

Vrienden zijn als ijs…ze smelten weg als de grond hen te heet wordt onder de voeten. Ja, ik weet het, die vrienden met die auto heb ik zelf buiten in de kou laten staan maar het is opvallend hoe weinig vrienden je overhoudt als er ziekte heerst in je huis. Ik kreeg het gevoel dat er nooit meer iemand op bezoek kwam en dat er ook nooit meer iemand belde. Alleen die maffe echtgenoot van Froukje belde van tijd tot tijd om te vragen wanneer ze thuiskwam. Het antwoord was elke keer hetzelfde: zoek het even lekker zelf uit. Meestal kroop Froukje meteen na zo’n gesprek heel dicht tegen me aan. Heel dicht. zij had behoefte aan warmte, vriendschap en ook liefde…

Nu ik dit opschrijf, denk ik wel eens ” hield ik van haar”?  Ik vind dat moeilijk want wat is precies “houden van”? Dat gaat nog heel wat verder dan met enige regelmaat een wip maken op de vloerbedekking of in een onopgemaakt bed. Het maakt daarbij niet uit of je de gevulde condooms van de vorige keer nog terugvindt…met liefde heeft het allemaal niets te maken. Houden van, dat ging helemaal z’n eigen weg en had alleen nog betrekking op de relatie tussen mij en Jeltje. Ik wilde haar niet kwijt en niet zien vertrekken, ondanks alles, ze was van mij….ja, de gedachte alleen al maakt me warm tot op de dag van vandaag. Jeltje zit zo vergroeid in mij, als ze eruit wordt gehaald, ga ik dood…

En natuurlijk, het lag ook aan mij vooral. Ik was degene van ons drieën die het meeste buiten de deur kwam. Na een week moest ik ook weer aan het werk en dat viel net mee.  Veel collega’s dachten vooral dat ik leuk met vakantie was geweest. En dan gebeurde er iets geks: Ik zei dat het leuk was geweest en dat we ontzettend leuke dingen hadden gedaan.  Mijn collega’s gingen er ook heel enthousiast op in. Ik hield het vaag en ja…vaak insinueerde ik boeiende seksuele ervaringen. Dan vraagt haast niemand verder…hooguit worden er wat grove grappen gemaakt.

Vrolijk werd ik daar dan weer niet van maar ik was wel een tijdje de meest populaire jongen op de afdeling. Seks…en auto’s, dat is natuurlijk altijd het hoogtepunt van vermaak onder collega’s. Daarbij zorgde ik er dan wel weer voor dat ik me heel netjes aan de gangbare opvattingen hield. Dus gewoon, niks overspel, niks buitenechtelijk geneuk…gewoon met je eigen vrouw van alles. En dat terwijl van binnen alles in je jankt en gilt ” was het maar waar, kon dat maar!”  Die wanhoop zal ik nooit vergeten….

Nee, ik hield ook van Froukje, ik denk het wel…ja, echt houden van. Ze was lief, zorgde goed voor me, gaf zichzelf met overtuiging aan me, ze zoende beter dan Jeltje, ja zeker. Die kunst had ze beter onder de knie maar….ze was niet zo met me vergroeid als Jeltje….ze was niet een eenheid met me geworden, ze was geen orgaan van me… En toch…ik had haar niet kunnen missen, ze bood me de troost die ik nodig had en de vrijpartij die ik bij mijn vrouw zo miste. En Jeltje wist het en ze vond het goed want ze was net zo gek op haar zusje als ik en ze hield van mij…ondanks alles hield ze van mij zoals ik van haar.

Na een tijdje begon het te slijten op het werk. Het lachen om grove grappen en het tumult over een korte, wilde vakantie was voorbij. Ik merkte dat mijn collega’s me zelfs een beetje begonnen te mijden. Dat verliep heel verraderlijk. Eerst waren er ene paar “per ongeluk”  vergeten vergaderingen, later vroegen ze of ik ergens wel bij wilde zijn op een toon alsof ze “nee hoor”  als antwoord verwachtten. Kort daarop kwamen ze ook minder langs voor individuele gesprekjes.  Soms leek het ook wel of de stemmen stokten als ik op de gang langskwam. Nee, de sfeer werd er niet prettiger op.

Tot die dag dat Partner Willem mij  op het matje riep en begon te vragen waarom ik me zo afzonderde. Onmiddellijk begonnen mijn oren te gloeien omdat ik er een aanzet in zag om me te lozen. Het waren van die gemene , achterbakse vragen en opmerkingen. Of ik me wel kon vinden in het nieuwe beleid van het bureau en hoe ik dacht over mijn directe vrouwelijke collega’s. Het leek wel ene spellletje om mij erin te laten lopen, om te zorgen dat ik iets vrouwonvriendelijks zou zeggen ofzo. Ik was op mijn hoede maar mijn humeur werd daardoor niet beter. Integendeel, ik vroeg me af  waar Willem op uit was.

“Nou ja”, zei hij eindelijk, ” je hebt het er goed afgebracht. Je reacties zijn zoals ik verwacht had en eigenlijk nog een stukje beter en”,…hij boog zich voorover…” sluwer.” Eerder zou ik misschien een brede glimlach op mijn gezicht hebben getoverd maar deze keer brak er niet meer dan iets flauws door. Het leek Partner Willem niet op te vallen. ” We willen je voordragen voor een partnership”, zei hij glimlachend. ” Een junior partnership”.  En zelfs toen…voelde ik me opveren…even was er iets van vreugde in me ook al voelde mijn leven zo verschrikkelijk zwaar.

Nooit meer…hoewel, de volgende ochtend stond hun auto nog steeds voor onze deur maar het kon me niets schelen of ze er nog in zaten of niet, ik ben ook niet gaan kijken. Pas vele uren later was het ding weg en daarmee was voor mij voor goed de deur dicht. Het was een ongekend gevoel voor me maar ik wist meteen dat het goed was. Ik voelde me bevrijd van een vriendschap waarvan ik me afvroeg of het ooit wel vriendschap was geweest. Wat hield het allemaal nou eigenlijk in?

Zuipen, barbezoek, een enkele keer naar de film, popconcerten en discussiëren over neukervaringen, vooral na Pinkpop, nee, een echt beter gesprek had er nooit bij gezeten. We waren razendsnel dor de dagen gevlogen zonder ooit iets zinnigs te doen en eens bij elkaar binnen te kijken. O nee, daar moest iedereen afblijven en zelfs onze ” best ”  vrienden kregen daar geen kijkje in. Hooguit de teleurstelling over een veel te dure nieuwe auto was onderwerp geweest op gevoelsgebied. Daar hield het dan zo ongeveer mee op. Zelfs het voetbal stelde in onze vriendschap niets voor want ik hield niet van voetbal en dat is nog steeds zo. Ik wil niet zeggen dat het afscheid zo maar een uitgemaakte zaak was. “Uitgemaakte zaak”, eigenlijk een bizarre uitdrukking als je er over nadenkt. Nee, ik heb zeker ene uurtje voor me uit zitten staren om de hele vriendschap eens te laten passeren en toen wist ik het zeker: weg ermee. Pas nu ik dit opschrijf, denk ik eraan terug. Zonder weemoed want ik weet dat ik het goeie heb gedaan. Voor ons allemaal.

Tevreden keek ik om me heen, ik zag Jeltje en haar nog steeds prachtig golvende haar, Froukje en haar wilde haardos en mijzelf zag ik in de spiegel en,..het moet gezegd worden…ik was en ben een knappe jongen. Ik kon me best voorstellen dat die meiden hartstikke gek op me waren geworden. Jeltje met wie ik nooit meer een vrijpartij zou durven hebben, Froukje die voortdurend naar zo’n vrijpartij verlangde en wist dat ik er ook voor “in”  was, wij hadden een band, een heel intieme band. Natuurlijk, we hadden ook een gezamenlijk probleem. Een gezamenlijk band van ellende maar het was opvallend, die ellende bracht ons samen en bezorgde ons alledrie ene intens gevoel van geluk. Ik kon het merken aan de woorden die de meisjes met elkaar spraken en de manier waarop ze mij   aankeken. Zelden had ik met zoveel zorg de twee meiden dagelijks omarmd. Voor het eten…voor de ontspanning…

Natuurlijk dat kon ook doordat ik me ziek had gemeld. Ik vroeg me ook af wat ik op mijn werk nog moest doen. Misschien waren er collega’s met wier ik beter kon omgaan dan met mijn “vrienden”  maar behoefte, nee behoefte had ik er niet aan. Ik bewoog mij geregeld heen en weer tussen huis en supermarkt om eten in huis te halen, voor onszelf, de kat en het kind. Zo nu en dan speelde ik ook met hem, dan legden we de hele vloer van zijn kamer onder het uitgebreide wegennet, de plastic ruimtevaartbasis met daarnaast een brandweerkazerne en een manege en alles wat hij in de loop van de tijd meer had gekregen. We waren een gezin met z’n drieën dat van tijd tot tijd alleen werd opgeschrikt door de woede-uitvallen van Froukje in de richting van haar man die als maar vroeg wanneer ze thuis zou komen. Was het raar? Nou ja, ze logeerde drie weken bij ons voordat er nijdige brieven van zijn hand binnen kwamen al dreigde hij nog steeds niet met een scheiding.

“Dan zie je maar eens wat een schijterd hij is”, zei ze soms venijnig op een toon die mijn mag ineen deed krimpen. Hij durft nog niet eens over een scheiding te beginnen, omdat-ie dan z’n lieve vrouwtje kwijt is, z’n lieve schattige vrouwtje waarmee hij altijd zo graag de vloer aanveegt.”  De koude rillingen liepen mij over de rug. De snerpende toon die Froukje kon opzetten, had Jeltje nooit tegen mij gebruikt. Op een dag vroeg ik haar waarom ze zelf niet aan haar man voorstelde om te scheiden. Ze keek mij met grote, ontzette ogen aan en wilde eerst niet antwoorden maar na twee happen banketstaaf, ja het was Sinterklaastijd, zei ze toch heel zachtjes een paar woorden. ” Het gaat niet om MIJ, het gaat om HEM! Hij moet eens een keer laten zien dat hij een echte vent is.” Ik moet zeggen, die opmerking dreunde even bij me door. Het werd me duidelijk dat Froukje eigenlijk helemaal niet van haar man af wilde. Helemaal begrijpen deed ik dat niet want ik vond het inderdaad maar een suffe lul terwijl Froukje volgens mij veel meer in haar mars had, beeldhouwen en toneelspenen enzo…creatief meisje. Creatiever dan Jeltje eigenlijk…nou ja….anders

Vrienden….nee, er kwam eigenlijk niemand meer aan de deur. Een enkele keer was er de buurman die om een afspraak kwam bedelen, gewoon omdat hij iets wilde weten. Ik zag aan zijn schichtige gedrag dat hij vond dat het er allemaal maar raar uitzag bij ons, een beetje rommelig misschien ook. Meestal waren de meisjes boven als hij aanbelde maar de rommel kon ik niet zo snel wegwerken en het kon me niet schelen ook…

Je kon niet zeggen dat ze lang aan het woord bleef, het duurde gewoon eindeloos  en  klonk als een immer voortdenderende trein. Mijn vriend zat er zonder met de ogen te knipperen naast en glimlachte zo nu en dan omdat zijn vriendin iets vertelde dat zij beiden kennelijk erg komisch vonden. Ik had van begin tot het eind niet het idee dat één van ons drieën er geïnteresseerd naar luisterde. Toch zag vooral Froukje nog wel kans zo nu en dan een pseudo geïnteresseerde vraag er tussendoor te gooien en dan ging de hele vertellende grasmaaier weer van start.

Het viel niemand mee om er een woord tussen te krijgen en het viel mij al helemaal niet mee Jeltje bij de les te houden. Die viel geregeld in slaap. Soms liet ik haar gewoon lekker liggen, een andere keer probeerde ik onopgemerkt haar aandacht te vragen voor het buitenwoon boeiende verhaal. Intussen zat mijn vriend, onze BOB zal ik maar zeggen, het ene na het andere glas bier weg te werken. Dat beloofde nog wat. Zijn vriendin kabbelde intussen jolig verder over het geluk dat zij tweeën aan elkaar beleefden. Het werd bijna genant. Plotseling viel Froukje haar in de rede:” Denk je er wel eens over dat er ook mensen bij kunnen zitten met een rothuwelijk?”  Ze vroeg het strak, sjagrijnig en resoluut. De spreekster ontkwam er niet aan dat ze antwoord moest geven.

Even was ze van de kaart. ” Nou ja, zo erg is het allemaal toch niet”, giechelde ze een beetje onhandig. Onmiddellijk daarna ging ze weer verder met haar verhaal totdat Froukje kans zag er een gat in te slaan. ” Nou, bij mij wel hoor! Bij mij is het wel zo erg, we liggen dagelijks met elkaar overhoop”, ze gooide zelfs een paar tranen in de strijd en dat kostte haar helemaal geen moeite. Ik kon zien dat ze echt waren en zo kwamen ze ook over want de vriendin van mijn vriend was ineens stil. Ze zat even sip voor zich uit te kijken en wilde net opnieuw beginnen te vertellen toen Froukje haar opnieuw voor was. “Weet je wat het is?”  zei ze langzaam. ” Soms kan ik me erg prettig voelen bij het geluk van een ander maar zoals jij het vertelt….het klinkt net alsof wij alleen maar luisterbehang zijn.”

Het was meteen helemaal doodstil. Niemand deed nog een mond open en ik dacht bij me zelf ” Oei, we moeten straks nog wel met hun auto terug naar huis”. Zover was het dus al met me, ik begon onmiddellijk aan mijn  eigen situatie te denken. Intussen was Froukje weer begonnen. ” Jij praat op ene manier waardoor niemand de kans krijgt iets over zichzelf te vertellen. Alleen JOUW verhaal is belangrijk!”  “Oei”, pareerde de vriendin van mijn vriend nu. ” Het lijkt wel of er bij jou heel wat scheef zit, of is dat alleen vandaag?”  Froukje plofte haar halverwege in de rede. ” Nee, dat is niet alleen vandaag en het is de laatste maanden al zo en het zal de rest van mijn leven niet meer veranderen, snap je dat?”

Er lag een ijzingwekkende stilte in de ruimte. ” Kom”, zei mijn vriend eindelijk. ” Het wordt tijd om naar huis te gaan.” Hij stond op en betaalde de hele rekening. Van mij wilde hij geen geld aannemen. ” We gaan rijden”, zei hij vlakjes. Onderweg naar de auto bleek dat hij behoorlijk over de weg zwalkte en ik kreeg even het idee om hem te vragen het stuur van hem over te nemen maar een echt goed idee leek me dat ook weer niet. Het was misschien vreemd maar ik was even het stuur over mezelf kwijt.

Voordat ik het wist brulde ik daarom naar hem: “Zeg, dronken lor, denk je niet dat het beter is als ik rijd?”  Mijn vriend trok zijn wenkbrauwen op en keek mij onderzoekend aan. ” Hoezo? Ik ben nog best in staat om in een rechte lijn te rijden, hoor!”  Mijn antwoord daarop lag al klaar voordat hij stopte met praten. ” Daar ben ik nu juist zo bang voor, dat je niet door hebt dat er een bocht is.”  Mijn vriend begon te gieren van het lachen en smeet de autosleutels naar mij toe.Iets in hem moet hem hebben ingegeven dat het beter was om zich te laten rijden. Het betekende trouwens wel dat hij met zijn vriendin op de achterbank dook, naast Froukje en Jeltje. Met alle kracht die in haar was, stapte Jeltje uit. Ze liep om de auto heen en kroop op de passagiersstoel naast mij. Het werd voor Froukje stil en eenzaam op de achterbank. Vooral stil want mijn vriend en zijn vriendin hingen over elkaar heen zonderdat er een woord uitkwam.

Het maakte de rit wel een stuk gemakkelijker. Niemand was verplicht een woord te zeggen of ene gesprek te voeren. En zo toerden we in een supertempo naar huis. Ik stopte zonder blikken of blozen voor mijn eigen huisdeur, stapte uit en liet Jeltje en ~Froukje uitstappen. ” Sorry jongens, verder gaat de reis vandaag niet. Het laatste wat ik ooit van ze heb gezien is de auto die stil bleef staan aan de kant van de weg. Toen de deur eenmaal dicht was, wasren we weer met z’n drieën en zonder iets te zeggen, besloten we niet meer met vrienden op stap te gaan. We hebben ze nooit meer terug gezien….