“Komt een man bij de dokter…” Nee, daar moet ik niet beginnen. Ik moet beginnen bij mijn jeugd, mijn vader die als paardenslager in het dorp Deurne nou niet bepaald de meest geziene inwoner was. Deurnaren laten zich graag voorstaan op hun liefde voor paaren en de slagerdie het vlees dan ook nog veel te goedkoop verkoopt, hoort daar niet bij.

Wij woonden dan ook helemaal aan het arme uiteinde van het dorp en op school werd ik met de nek aangekeken. De enige klanten die met opgeheven hoofd bij mijn vader in de winkel kwamen, waren de Joden van het dorp. Niet omdat zij zoveel van paardenvlees hielden maar omdat zij varkensvlees nog lager aansloegen en het was goedkoop. En ja, de klandizie was inderdaad teruggelopen sinds 1945.

In de kerk moesten we altijd in een bepaald hoekje achteraf staan en dat gaf al een heel vernederend gevoel. We kwamen nauwelijks in aanmerking voor het ouweltje. Als het zover was, keek ik altijd stiekem naar het gezicht van de priester om te zien of hij bij ons een extra vies gezicht trok.  Volgen mij was dat zo, altijd en daarom voelde ik er niet veel voor om koorknaap te worden maar mijn ouders deden er hun uiterste best voor. Ze probeerden de monniken van het klooster zelfs goedkoper paardenrookvlees aan te bieden om het zover te krijgen maar…de overste klaagde dat hij altijd zo moest hoesten van die rooklucht…

Hoe dan ook, mijn vader werkte dag in dag uit, alleen op zondag ging hij naar de kerk en ’s middags kreeg hij wel eens een vriend op bezoek. Vrienden had hij wel, niet uit Deurne. Ik herinner mij een mager, klein mannetje met een veel te grote boerenpet waarvan mijn vader beweerde dat het “gelders”  was. Ik zag altijd met tegenzin hoe dat mannetje aan mijn Rietje, zusje, zat te friemelen en intussen niet anders deed dan een taaltje uit brabbelen. Zo nu en dan onderbrak hij zijn betoog met een stevige rochel en dan ging hij piepend en hijgend weer verder.  Mijn vader zei nooit iets van dat gefriemel en mijn moeder leek het niet te zien. Mijn vader luisterde naar het mannetje dat uit zijn bruine bek stonk als een dood paard. Intussen probeerde mijn zusje aan zijn enge klauwen te ontkomen. Als haar dat eenmaal gelukt was, rende ze naar me toe en riep ze dat ze wilde spelen. Dat mannetje gluurde haar dan nog met smalle oogjes na. Een keer heb ik hem gevraagd of hij met zijn poten van mijn zusje wilde afblijven. Het werd doodstil en mijn vader zei: ” XZeg waar bemoei jij je mee…?”  Ik heb toen een hooivork gepakt en die man in zij  zij geprikt…dat hielp, hij liet meteen los en ik, ik moest de slachtershal schoonmaken…klerewerk. Bah, maar Rietje kwam me helpen…!

Mijn vader werkte zich dus een slag in de rondte. Hij moest ook zelf de paarden slachten en dat was een hele klus. Meestal sloeg hij ze met ene hamer keihard op hun hoofd zodat ze verdoofd wasren maar dat mislukte ook wel een en dan lag zo’n dier een tijd uur te stuiptrekken. Ik kwam liever niet in de slachthal als er paarden waren. Vrijdag kwamen de leveranciers meestal. Er waren boeren bij uit de omgeving maar natuurlijk ook de mensen van de manege-opleiding NHB. Allemaal hetzelfde ruwe, botte volk. Er zaten weinig paardenvrienden bij maar ja…daar leert je als paardenslager natuurlijk niet op. Wat ik er wel van leerde was dat hard werken een prima tijdpassering was. Als je werkt, heb je vrij weinig last van anderen en…je kunt er nog wat mee bereiken ook.

Intussen zat ik voor mijn verdriet op school. Een bleke, lange, magere jongen met dikke puisten pestte mij constant, lichtte mij beentje en deed een keer sperma in mijn drinkflesje. Ik had het pas door na een forse slok… Op ene goeie dag had i er zó genoeg van dat ik hem een klap voor zijn kop gaf. Daar is hij nooit helemaal van bijgekomen en hij moest naar een andere school toe waar ze kinderen met hersenschade konden helpen. En ik ook…ik kwam buiten Deurne op school terecht. Dat had het voordeel dat ik steeds minder van mijn familie zag. Uit zo’n gezin kom ik dus…. (wordt vervolgd)

II

De zon scheen op de zanderige paden van Deurne  want Deurne was in die tijd nog een dromerig zelfingenomen dorp. Het was alsof alles in het dorp erom riep de zon in zijn ban gevangen te houden maar steeds bleek weer dat zoiets niet lukte. Mooiwas het wel, die gedachte dat de zon door het dorp kon worden vastgehouden en mooi warebn ook de paarden die geregeld aan de hand van de leerling-rijinsatructeurs door het dorp stapten, een dikke wolk stof achterlatend en…mooi was de andere kant van het dorp, daar waar ik niet woonde…de rijke kant. Daar had je het huis van de burgemeester, de dokter, die wij ook bezochten omdat het de enige was en de notaris. Dat huis van de notaris, daar was iets bijzonders mee. Daar woonde namelijk Jeltje, een meisje met hoogblond haar, een meisje dat ondanks haar weinig Brabantse naam zowat alle jongens van het dorp achter zich aan had. Jeltje hield ook mijn oog op haar gericht maar ja, de zoon van de geminachte paardenslager, hoeveel kans zou die maken? Jeltje was dus populair en ze wist het. Als ze door het dorp liep schudde ze altijd extra uitdagend met heur haar dat in lange lokken over haar schouders viel.

Zij liep vlak voor mij uit, terwijl ik fietste in de richting van de school. Ik bleef achter haar hangen om even wat langer te genieten van haar zwaaiende, lange haar en haar sierlijke bewegingen, haar slanke heupen en haar wulpse kontje. Er kwam een gevoelsmatige waas in mijn hersens bij het aanschouwen van al die pracht maar die werd wreed doorbroken doordat Jeltje achterom keek. “Moe?”  vroeg ze met pret in haar ogen omdat ze heel goed wist waarom ik zo langzaam fietste.  Ik werd in verwarring gebracht door haar vraag en trapte wat harder. Geen woord kon ik uitbrengen en ik kon haar glimlach bijna door mijn overhemd heen voelen…

De school was leuk hoor al dwaalden mijn gedachten steeds vaker af naar dat grote, mooie huis van de notaris en zag ik haar in gedachten door de kamers dwalen. Op de terugweg scheen de zon in mijn ogen en weerkaatste het zand van het pad het felle zonlicht. Ik zag bijna niets, behalve Jeltje… en daar waar de contouren, het silhouet, van haarhuis zich tegen de scherpe lucht aftekende, gooide ik mijn fiets op de grond. Ik moest het nu doodeenvoudig weten, ik zou het weten…

Ik rende over het stoffige pad naar de deftige voordeur en merkte de kar van de melkboer niet op, waarschijnlijk had ik geluk dat het hekje voor het pad openstond, anders was ik met mijn borst in de scherpe punten gerend. Mijn onderbuik vertelde mij dat ik door moest, verder..mijn hart klopte zelfs tot in mijn onderbroek… Ik liet de klopper op de deur vallen en probeerde mijngehijg en erectie die ik intussen had opgelopen, te onderdrukken. Langzaam schoof de  voordeur over een dikke kokosmat en in de donkerte daarachter verscheen het gezicht van een grijze vrouw in een bloemetjesjurk. ” Aha, de jongen van de paardenslager…” kraaide haar stem. ” Wat moet je?”

Als ik al moed had verzameld, dan was die nu weg… “Is Jeltje thuis?”  vroeg ik haast onverstaanbaar zodat ik het voor de oren van het oude vrouwmens nog een keer moest herhalen ook. “Dat gaat jou toch niets aan?”  vroeg zij met haar schorre kippenstem. “Scheer je weg, arbeidersjong!” Omdat mijn moed al lang in mijn schoenen was gezakt, wist ik niets beters te doen dan mij om te draaien en weg te lopen, in een sukkelgang het tuinpad af en deze keer moest ik het dichtgevallen hekje open en dicht doen. Langzaam ging ik op weg naar huis maar achter de struiken van de tuin van de notaris hoorde ik een stem. ” Ik wil je graag een keer zien”, het was Jeltjes stem. ” Laten we vanmiddag afspreken in de Smidse bosjes… Ik lachte en kreeg een brok mijn keel. ” Ik zal er zijn”, zei ik zachtjes. Pas thuis ontdekte ik dat ik mijn fiets vergeten had…erg was dat niet…de Smidse bosjes lokten daar vlakbij.

Toen ik haar slipje naar beneden trok, wist ik dat het ook voor mij de eerste keer was maar ik deed net alsof ik een ervaren minnaar was. Dat merkte zij toch niet omdat het haar eerste keer was…Ze wist nog van toeten noch blazen. Het was zo’n mooie ervaring dat ik nooit meer anders wilde en nooit meer naar een ander heb omgekeken. Ja, zo leerde ik mijn vrouw kennen…in de Smidse bosjes.  Die avond kreeg ik thuis op mijn mieter omdat ik mijnfiets ergens had laten liggen. Hij was thuisgebracht door een boertje in de buurt van de Smidse bosjes. Ik mocht meteen de slachthal schoonmaken. Voor de zoveelste keer. Natuurlijk vroegen mijn ouders zich af waar ik al die tijd toch was geweest maar ik zag kans mijn relatie met Jeltje voor hen geheim te houden.

Dat was eigenlijk gek want zo vaak ik kon, fietste ik met haar mee en dan praatten we over alles dat je maar bedenken kon: paardenbiefstuk, de zandweggetjes in het dorp maar vooral de andere jongens die dagelijks heen en weer fietsten en soms kwam die jongen die ik zo hard op zijn hoofd had geslagen aan bod. Hij scheen een blijvend hersenletsel eraan overgehouden te hebben hoewel lang niet iedereen een verschil merkte. Hoe dan ook, hij bleef op het speciaal onderwijs voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten. Wie mij pest…kan de ziekte verwachten, zo is dat. Zo is het ook altijd gebleven.

Duidelijk werd het intussen wel. Jeltje en ik, wij hoorden bij elkaar en het was een wonder dat we niet al drie kinderen hadden voordat we trouwden.