You are currently browsing the category archive for the ‘ADHD’ category.

“Gelukkig dood ervaring”  is het eerste verhaal op deze site dat klaar is. Een man is tot ver over zijn oren verliefd op ene vrouw maar zij beantwoordt die liefde niet. In zijn wanhoop vliegt hij met zijn sportvliegtuigje tegen een bergwand want ” als ik dood ben, ben ik gelukkig, overal vanaf”. Zo denkt hij…maar het pakt anders uit…  Lees het verhaal op Gelukkig dood ervaring

Ik heb nooit geweten dat je hersens verdoofd konden worden maar het kan. De klap kwam harder aan dan ik verwacht had…gewoon op zo’n doordeweekse dag, ochtend eigenlijk, in de wetenschap dat er nog mensen in de wachtkamer zitten. Ik zat daar maar op die stoel, te staren naar het papier waarop de uitslag was weergegeven. HIV!

Welke gedachte er door mijn hoofd ging als eerste? Ik weet het echt niet meer, geen denken aan. Volgens mij was het gewoon: “Dus toch”  maar dat was geen acceptatie ofzo, het was een soort opvangen van de schrik. Een schokbreker in mijn hoofd. Het hielp natuurlijk niets en ik zat voor mijn gevoel wel ene uur met geboden hoofd aan het bureau van de dokter. Ik hoorde zijn stem ergens in de verte zeggen: ” We moeten nu kijken hoe we de gevolgen in de hand kunnen houden.”

De gevolgen? Ik wilde daar niet eens over denken. De gevolgen. Waren er gevolgen? Ik wist alleen dat ik daar zat aan dat bureau met het bericht dat ik HIV had en dat ik dus gewoon een dreun voor mijn kop had gekregen. Daar zaten geen gevolgen bij..of het gevolg moest zijn dat ik geen woord meer kon denken, laat staan uitbrengen.

De dokter keek mij onderzoekend aan zonder iets te zeggen maar ik begreep dat het niet lang kon duren op die manier. Voor hem was er meer te doen, voor mij niets…nee, waarom zou ik nog iets doen? Ik kon me hier laten wegdragen of naar huis laten brengen en dan nog…er zou niets veranderen. Er hing een ijzige stilte in de spreekkamer en ik was niet in staat die te doorbreken. Ik voelde hoe een handvol woorden zich opzamelde achter mijn tong en tanden en geen weg naar buiten kon vinden omdat daarvoor nu eenmaal een bepaalde volg-orde nodig is. Die was er niet. Mijn woorden waren in paniek, niet ik …mijn woorden wel.

“Voorlopig geef ik u dit mee”, zei de dokter langzaam en hij legde een briefje over, ik vermoed dat er een recept op stond en misschien wel een praatgroep. ” Er is heel veel te verhelpen aan de situatie”, ging hij verder. “Het is zelfs mogelijk dat het virus niet tot uitbarsting komt en dat u er nooit last van zult hebben of pas heel laat. Het is goed om de ontwikkelingen te blijven peilen en…om te kijken of u bepaalde ziektekiemen onder de leden heeft.”

Ik walgde, ik walgde dubbel, van de dokter en van de briefjes en van de spreekkamer en van alles. Plotseling sprong ik overeind, griste de briefjes van het bureau, propte ze in mijn zak en rende de kamer uit. ” Ik heb aids”, schreeuwde ik op de gang en keihard in de wachtkamer. ” Ik heb aids mensen, eindelijk is het zover. Gerechtigheid, zegt hij…”  en ik wees in de richting van de spreekkamer. Ik nam de moeite niet om te wachten op de reacties van de andere patiënten en rende de deur uit en jubelde: ” Ik heb aids, ik heb aids, God heeft me uitverkoren.”

Meteen daarop sprong ik op mijn fiets en ik reed fluitend naar huis. Nog nooit eerder had ik zo hard gefloten op straat…iets van Santana of nee…Too much love can kill you, van Queen geloof ik, ja van Queen…” Gek hè, zou het toevallig zijn dat die song op dat moment mijn mond uitkwam. Maar wel fluitend hè, want de woorden stonden nog steeds in de verkeerde volgorde.” Ik kwakte mijn fiets met een haast perfecte boog tussen de andere rommel in de schuur,sloeg de deur dicht  en stapte met grote passen naar binnen. ” Schat, ik heb HIV”, riep ik zo hard mogelijk….  Er kwam niet direct antwoord maar het duurde niet lang of ik hoorde gestommel op de trap en de kamerdeur vloog even later wagenwijd open. Ik herhaalde mijn zin in hetzelfde volume en ik zag hoe Jeltjes mond openviel, hoe zij duizelde. Ik voelde de neiging in me opkomen om haar op te vangen en…ik deed het ook. Ze viel voorover in mijn armen, sloeg haar armen om mijn nek en barstte uit in snikken. Maar toen gebeurde er iets geks. Ze worstelde zich los en keek mij verwijtend aan. ” Hoe kun je zo stom zijn geweest?”  vroeg ze. Haar laatste tranen werkte ze weg met een simpele handbeweging. ” Hoe kon je zo stom zijn” herhaalde ze en het verbaasde me nog dat ze nie stampvoette.

Nog nooit eerder had ik het gevoel gehad tegen een vreemde te praten en naar een vreemde te kijken maar nu veranderde Jeltje voor mij in iemand die ik niet kende. Opnieuw haperden mijn woorden maar dit keer niet omdat ze paniekerig voor mijn tanden hokten. Nee, ze werden tegengehouden door woede want één ding wist ik zeker: IK was niet de bron van de ziekte in huis. Maar ja, hoe zou ik dat duidelijk kunnen maken? Natuurlijk, er waren technieken voor en natuurlijk, als er één was die het wist, dan was het Jeltje maar voor al die overpeinzingen en gedachten had ik nu geen tijd. ” Ik ga op de zolderkamer slapen”, zei ze briesend en met grote stappen liep ze de trap op, mij achterlatend met het gevoel van leegte en ijzige kou diep in me…

.

De dokter

Waarom weet ik niet maar iets bracht me ertoe razendsnel ene afspraak te maken voor die test.Misschien was het mijn gevoel dat me zei dat er gewoon niets aan de hand was. Misschien waren er de onschuldige ogen van Jeltje, nou ja ondeugend maar toch onschuldig. Ik wilde gewoon horen dat er niets aan de hand was en dat moest zo gauw mogelijk gebeuren. Ik wist zeker dat het allemala op een grote vergissing berustte en dat zou er dan al gauw uitkomen.

Het was trouwens pas op de ochtend van de dag van de afspraak dat Jeltje ernaar vroeg. ” Ga je die test nog doen?”  vroeg ze. ” Dan zijn we er tenminste af, dan weten gewoon dat er niets aan de hand is.”  Om de één of andere reden had ze dat beter niet kunnen zeggen. Het klonk mij te zoetjes, alsof er meer was, alsof ze meer wist dan ik. ” Ik ga het vandaag doen, over een uurtje”, zei ik zo losjes mogelijk alsof het me eigenlijk niet zoveel kon schelen. Jeltje reageerde lauwtjes: ” O, nou, zal ik meegaan?”  Normaal gesproken zou ze gezegd hebben. ” O, maar dan ga ik mee.”  Maar nee, deze keer was ze afhoudend, hopend op een ontsnappingsmogelijkheid.  Ik schudde mijn hoofd. ” Nou nee schat, het is maar een test en die is zo voorbij. De uitslag komt later. Dan…mag je mee.”

Of ze echt verbleekte bij die gedachte,weet ik niet meer maar ze schrok wel. We wasten samen af want we hadden altijd een bloedhekel gehad aan een afwasser. Afwassen hoorde voor ons tot het dagelijks praatcontact alleen deze dag wilde het gesprek niet vlotten. We waren veel teveel met onze eigen gedachten bezig rond het hele ranzige idee dat er iemand van ons besmet zou zijn met HIV en hoe dat dan zou komen. De stilte bleef haast ijzig hangen tot op het moment dat ik de deur uitging voor de test…ja ze kon me moeilijk tegenhouden. Dan zou ze de kans lopen dat ze door mij besmet werd of in elk geval de kans daarop lopen, zo hoorde ze te denken. Dus nee…hoe je het ook wendde of keerde…ze moest me naar die test laten gaan.

Het was ook opmerkelijk dat ik gewoon, snel en ontspannen naar het ziekenhuis fietste. Mijn gedachten gingen zelfs met me op de loop en de gedachte kwam  toen voor het eerst in me op om over mijn ervaringen een boek te schrijven. Niet dat ik ooit eerder aan schrijven had gedacht maar nu leek mijn leven zo’n bizarre wending te nemen dat ik er wel wat in zag. Schrijven over je eigen, dramatische ervaringen, daar stond de hele Nederlandse boekenkast toch vol mee? Dit zou zeker aanslaan als verhaal al aarzelde ik nog wel even over het taalgebruik.

De weg ernaartoe ging snel en in het ziekenhuis was ik voor het eerst van mijn leven onmiddellijk aan de beurt. Ik had nog de neiging om aan de zuster te vragen of alle andere klanten waren overleden maar uiteindelijk eet ik op het puntje van mijn tong. Ik besefte dat de reden van mijn bezoek niet meteen uitnodigde tot veel humor. De zuster leek mij ook steeds verwijtend aan te kijken alsof ze al wist wat de uitslag was en wat daarvan de oorzaak was. Ik had gelijk, het zijn altijd de mannen die in dit soort gevallen overal de schuld van krijgen. Ik berustte in mijn lot en liet alles passeren in ene gelatenheid die past bij de stervenden.

Achteraf vond ik het vermoeiend. Dat was de stress die mij stiekem toch behoorlijk te pakken had genomen. Vermoeiend zo’n onderzoek en zelfs zo vermoeiend dat mijn libido in elk geval voor die dag een behoorlijke knauw had opgelopen. Het zou die avond niets worden. Toen ik thuiskwam, was Jeltje weg, ze had kennelijk niet op me kunnen wachten. Natuurlijk wist ik nietwaar ze heen was maar het ergste was het lege huis waar ik in kwam. Ik voelde met nutte- en energieloos…ik zakte op de bank onderuit en klikte de tv aan…Boer zoekt vrouw, herhaling…het kon me niet schelen en bleef kijken.

Pas twee uur later kwam Jeltje thuis. Ze zag er opgewonden uit, alsof ze een heftige ontmoeting had gehad. ” Alles goed gegaan?”  vroeg ze hijgerig. “Nog wel”, bracht ik uit en ik merkte dat het me moeite kostte om die woorden sterk en gearticuleerd te laten klinken. Ik voelde me intens moe. ” Wanneer heb je de uitslag?”  Ik rommelde wat met een hand in mijn broekzak en bekeek een papiertje dat nu helemaal verfrommeld was. ” O, eigenlijk hoef ik me daarover geen zorgen te maken want de dokter gaat me bellen.”

Die avond viel de grote stilte in. Het leek wel of Jeltje niet meer wist wat ze tegen me moest zeggen, van tijd tot tijd dook ze weg achter haar boeken, de stofzuiger, de was en zelfs achter de kat. Het was ongewoon in ons huis waar altijd vrolijkheid en jubel hadden geheerst. Nu was er van al dat leven weinig meer over en als het klopte met de HIV, dan zou het nog erger worden. Het was benauwend voor mij, de hele dag te leven onder de druk van die test. De uitslag leek nu een donkere wolk die langzaam naar ons toe dreef en hoe dichter de dag van de uitslag nabij kwam, hoe zwaarder en hoe drukkender het werd. Alle voortekenen van een hevig onweer waren aanwezig. En dan inderdaad…op een ochtend om kwart voor negen ging de telefoon…bij de zesde keer had ik het ding te pakken en ik luisterde….

Ik merkte de vlek boven mijn linker oog nauwelijks op maar gek genoeg wees Jeltje me erop, of gek genoeg… zij, moest er de hele dag tegenaan kijken dus zo gek was het niet. “Stress?”  vroeg ze met een onschuldig gezicht en als ik toen had opgelet, had ik geweten dat er iets aan de hand was. Maar ik lette te weinig op…dat was de gewoonte, de routine die in elke relatie sluipt, vroeger of later.

Eigenlijk maakte ik me er niet zo bezorgd over en ik stelde me gerust met de gedachte dat het de eerste winter was die ik in het nieuwe kantoor doorbracht en dat het wel iets met de airco te maken zou hebben. ” Ik zal er vandaag meteen een smet ze over praten”, zei ik nog tegen Jeltje. Daarmee was voorlopig de kous af…het werk riep en lokte weer en ik boog mij volop over tekeningen en plannen en vergat de vlek vrijwel helemaal. Ik dacht er net vanaf te zijn toen een collega tegen mij zei:” Die vlek boven je oog, die ziet er niet goed uit. Ik zou er een snaar laten kijken.” Ik glimlachte een beetje zenuwachtig en kunstmatig en zei dat het vanzelf over zou gaan bij een betere afstelling van de airo maar mijn collega was daar niet zo zeker van. Om te bewijzen dat ik gelijk had, liep ik dan ook meteen naar de afdeling die de afstelling regelde. Daar vroegen ze mij een formuliertje in te vullen, als er meer klachten kwamen, zouden ze eens kijken.

Er kwamen niet meer klachten en het duurde niet lang of Jeltje wees op een tweede paarsige vlek op mijn voorhoofd. ” Ik vind dat je ermee naar de dokter moet”, zei ze maar daar voelde ik helemaal niets voor. Ik zag zo’n wachtkamer vol zielige vrouwen voor me en dan zou ikm me daar moeten gaan zitten vervelen om uiteindelijk te horen dat er niets aan de hand was. En zo bleef ik weg bij de dokter…todat de derde vlek en de vierde zich hadden vertoond. Toen werd het ook mij teveel. Op naar de dokter. Hij zou best een huidherstelmiddeltje weten en anders zijn aantrekkelijke assistente wel.

Die was er trouwens niet meer, merkte ik die ochtend en ik bedacht me hoelang het geleden was dat ik bij de dokter was geweest. Zou ik hem nog wel herkennen en zou hij nog weten wie ik was? Zou hij boos zijn dat ik zolang was weggebleven? Ik zou snel het antwoord krijgen want het was helemaal niet druk en er zaten vooral mannen die even snel als ik weer weg wilden zijn. De dokter kwam mij tegemoet met een brede glimlach op zijn gezicht. ” De man uit Deurne”, zei hij in ene poging een wat ontspannen indruk te maken, hoewel ik inmiddels al tien jaar weg was uit Deurne. Ik sprak hem niet tegen en probeerde een stevige handdruk te geven. Ik had ooit gehoord dat zoiets een zelfverzekerde indruk maakte.

De dokter keek naar mijn vlekken alsof hij een leesbril nodig had, streek er eens over met zijn vinger en vroeg of het zeer deed. Hij drukte erop en schudde toen zijn hoofd . ” Ik kan nu niet direct zioen waarop dit wijst”, zei hij op een nadenkende toon. ” Het zou heel goed kunnen zijn dat het door de airco komt in uw kantoor maar ik zou toch even een bloedmonster willen laten nemen. Dan zal blijken of we te maken hebben met een hinderlijke allergie. U kunt zelf even een afspraak maken in het ziekenhuis”, zei hij.

Verontrust? Nee, verontrust was ik niet. Ik was eigenlijk meer geïrriteerd dat ik nu weer vastzat aan zo’n stommer afspraak met het ziekenhuis. In dezelfde tijd zou ik ook gewoon aan het werk kunnen gaan en ik liep al smoesje s te bedenken om Jeltje te vragen die afspraak te maken alleen…dat zou ze dan vast weer op ene verkeerd moment doen. Onhandig dus…

Het kon al op korte termijn, ik was zo slim geweest meteen even langs het ziekenhuis te lopen en de afspraak te maken. Dezelfde week nog, dat leek me prima want dan was ik er eerder vanaf. Met zo’n briefje in de hand kon ik die mensen op kantoor misschien zover brengen iets te doen aan die airco. Ik raakte des te meer van de noodzaak daarvan overtuigd toen zich ook ene paarse vlek naast mijn neus vertoonde. Tot mijn grote ergernis kreeg ik bovendien steeds meer last van buikpijn. Verband was er natuurlijk niet maar ik voelde me er steds minder gelukkig door, behalve op de momenten dat Jeltje me de liefde gaf die je als zieke man nodig hebt…

Een goeie baan, nou ja, wat geld betreft dan hè…ik moest zo’n twaalf uur per dag werken en dat legde ons dan weer geen windeieren. In het begin was het nog leuk en kwam ik ’s avonds met een lachend gezicht en kusjes thuis en zoende ik de kinderen of nam ze op schoot. Papa was niet alleen maar de man die ’s zondags het vlees sneed, ik was ook de beste vriend van de kindereren, tot het genoegen van Jeltje.

En toch…we zagen elkaar wat minder, ook in bed. Na een werkdag was ik afgetobd en kwam ik niet aan het ontspannen toe dat in het verleden tot zoveel mooie momenten had geleid. Eerlijk gezegd, ik had er ook niet zoveel zin meer in. Ik begon in Jeltje steeds meer de moeder van mijn kinderen te zien en steeds minder een vrouw om gek op te worden, een vrouw die kriebels en tintelingen veroorzaakte of zelfs een gewone prooi voor mijn man-zijn. Aan de andere kant leverde het nauwelijks problemen op want ik had het idee dat het moederschap haar ook zwaarder viel dan ze had gedacht. ” Elke dag kom ik uren tekort”, zei ze en veel verder kwam ze dan niet omdat ik de energie niet kon opbrengen om naar de achtergronden van haar verhaal te luisteren. Een enkele keer liet ze wat doorschemeren. ” Wat ben je vroeg”, zei ze op een middag, toen ik inderdaad wat vroeger thuiskwam. Het klonk bijna teleurgesteld. Met tuitlipjes bergde ze haar teken- en schilderspullen op. Niet dat het nodig was geweest want een kwartier later lag ik in mijn draaistoel te knorren. Haast zuchtend haalde ze haar hobby weer tevoorschijn. Het zal een twee uur later zijn geweest toen ze me wakker maakte met de opmerking “het eten is klaar”  en een zoen. Haar teken- en schilderspullen waren toen al weer opgeborgen omdat we de tafel nodig hadden voor het eten en…ik had dus niets van haar werk gezien.

Later begreep ik haar opmerkingen over de beperkte tijd die ik voor haar had. ” Kom eens bij me zitten”,  “Luister eens”, “Wat moeten we met…”, “Doe eens rustiger aan…” en zo ging het maar door maar ik hoorde de onderliggende boodschap natuurlijk niet: “Geef mij eens wat meer aandacht.” Nee, ik klopte mijzelf op de borst en vond mijzelf een kampioen in het onderhouden van een gezin. Van tijd tot tijd gingen we met vakantie naar een binnenlandse bestemming omdat de kinderen nog zo klein waren. “Het is altijd leuk voor ze als er een zwembad in de buurt is”, zei Jeltje vaak en ik knikte braaf omdat ik aan de rand van het zwembad via mijn laptop mijn werk verder kon beheren.

Van vrijen kwam het zelfs in de vakantie niet meer omdat het doodeenvoudig niet meer in de cultuur zat, de cultuur van alledag.We keken tv zoals de meesten, maakten wandelingen en sliepen aan de rand van het zwembad en we dachten, we wilden geloven, dat we gelukkig waren. Alleen al de herinnering aan de verschrikkelijke jaren in Deurne, waren daarvoor voldoende.

We waren dolgelukkig en in elk geval leek het daarop. De rotzooi om ons heen kon ons niets schelen en we sprongen elke keer met de hakken over de sloot als het om proeven en tentamens ging. Ik vrraag me nu wel eens af wat we meer deden: vrijen of werken…natuurlijk we werkten elke dag, behalve vrijdags, allebei. We hadden allebei een baantje in de horeca dat bestond uit friet bakken en pils uitdelen. Grotendeels deden we dat nog zwart ook, wat toen veel gemakkelijker was dan nu. En met veel plezier streken we de fooien op. Zo lukte het ons om de week en de maand en de jaren door te komen.

Poes Herman was de enige die onze vrijpartijen aanschouwde. Volgens mij begreep hij heel goed wat we aan het doen waren want als ik opkeek, zag ik hem altijd knipogen en dan met een onverschillig gezicht de andere kant uitkijken. Hij was een echte rooie kater die soms ook aan onze spelletjes probeerde mee te doen maar na kortere of langere tijd kon hij het toch niet goed bijhouden. Dan trok hij zich min of meer beledigd terug omdat we meer aandacht gaven aan elkaar dan aan hem.

Herman scheen zich er trouwens weinig om te bekommeren dat onze eerste kamer maar zo weinig ruimte bood. Hij deed nooit een poging om de kamer uit te komen en nam genoegen met ons gezelschap.  Zodra we binnen waren, kroop hij bij één van ons op schoot, misschien gemiddeld iets meer bij mij dan bij Jeltje maar daar letten we natuurlijk niet op. We letten eigenlijk nergens op en dat was het leuke…nou ja…tot op de dag dat Jeltje mij vertelde dat ze niet meer in haar eentje was.

We krabden ons achter de oren. ” Ik zal wel meer gaan eten”, grinnikte ze zenuwachtig voordat ze het nieuws vertelde over de nieuwe aanwinst. Nadat ze ze haar “bekentenis”  had gedaan, zaten we een half uurtje zwijgend voor ons uit te kijken. Ieder met heel eigen gedachten en bedenkend waar het misgegaan kon zijn. Wisten we ons nog te herinneren wanneer Jeltje de pil was vergeten? Er brak geen herinnering door. Na het halve uur stortten we ons in elkaars armen en het leek erop alsof we nooit meer los zouden laten. Nooit eerder waren we zo in elkaar versmolten al herhaalden zich alle traditionele handelingen en bewegingen want ja, dat kleine vruchtje in haar buik kon nu nog niet knel zitten in onze onstuimigheid. Dat zou pas later komen. We wisten dat we het nu moesten beleven en…natuurlijk….het was voordat Jeltje de pil had genomen maar wie bekommerde zich daar nu nog om? Het was allemaal zo gevaarloos als het nooit meer zou worden, dachten we…

Je kon dus niet zeggen dat Jeroen later een gewenst kind was…nee…hij was doodeenvoudig vol lust en begeerte naar binnen gesleurd. “Gewenst”  klonk in dat verband veel te lullig. Jeroen…we wisten de naam van meet af aan, werd de vleesgeworden liefde die tussen ons opbloeide en niet alleen de liefde maar ook de doodgewone lustgevoelens. We hebben het hem nooit verteld en achteraf ben ik dat gaan betreuren maar ja….

De wijn verdween de maanden daarna uit het rek. Jeltje had zich helemaal bekeerd tot de sinaasappelsap en dan nog het liefst zonder suiker. ” Dik worden doe ik nu toch wel”, zei ze elke keer lachend. Uit pure loyaliteit ging ik aan de druivensap, die zonder alcohol. Een enkele keer probeerden we een fles alcoholvrije wijn maar dat misselijke goedje werd ons al gauw teveel. Dan toch maar weer gewoon aan het vruchtensap. We zwoeren teveel zout af en bestudeerden de achterkant van pakketten met voeding totdat we erbij neervielen, alleen om te zien of er geen verkeerde stoffen voor Jeroen in zaten. Soms legde ik mijn oor tegen Jeltjes buik en dan hoorde ik hem roepen: ” ik lust geen liga.” Dan was dat voor ons voldoende aanwijzing om ermee te stoppen…

We beseften intussen dat onze woonruimte voor ons tweeën. Jeroen en Herman wel wat erg krap zou worden en dus gingen we opzoek naar iets nieuws en dus ook iets duurders…kinderen kosten geld…

Gezellig, ja zo kon je het wel noemen. We hadden een verdiepinkje van 6 bij 3 en als je van de tafel naar het bed liep, moest je over een stapel boeken heen klauteren.Studieboeken, we noemden dat de rijstebrijberg die de weg naar het walhalla blokkeerde maar waar je met veel moeite toch kon komen. Ons bed, dat was het walhalla. Met opzet kozen we voor het Germaanse begrip en niet voor hemel want dat klonk zo erg “Deurnes”.  Het was natuurlijk niet voor niets dat we die muur van studieboeken voor ons bed hadden gebouwd. Als we dat niet hadden gedaan, hadden we nooit gestudeerd.

Jeltje zat trouwens sowieso al veel vaker met haar neus in de boekendan ik. Ik tekende en als ze dat zag, zei ze: “ben je nu al weer met ons droomhuis bezig?” Dan kwam ze naast me zitten, half op schoot, gaf ze me kusjes en boog ze zich over de tekening om te zien hoe ik het me allemaal voorstelde. Als een echte vrouw gaf ze ook praktische aanwijzingen. Dan zette ze gewoon haar knalrood gelakte wijsvingernagel op de laatste plek waar ik had getekend  en dan zei ze: ” en hier komt de kinderkamer.”

Niet dat de kinderwens bij Jeltje zo diep zat maar ze wilde graag een kind terwijl we nog ongetrouwd waren, om haar ouders te laten zien dat ik best wat waard was en…om heel Deurne op zijn grondvesten te laten schudden. De dochter die hokte met een man en al een kind had. BAH! Van tijd tot tijd lagen we ook gewoon tussen de studieboeken te vrijen en ook dat was wel heerlijk, al moesten we daarna vaak heel lang naar de bladwijzers zoeken.

Jeltje was gek op Delft en ze kon tijdenlang blijven turen voor een etalage met Delfts blauw. En ja natuurlijk moest ze naar de Prinsenhof en de kelders aan de Nieuwe Kerk om zoveel mogelijk te zien waar de Oranjes waren gebleven. Weliswaar had ze niet zoveel trek meer in de goeie, oude kerk van de paus maar het koningshuis, daar was ze dol op. “Je moet toch ergens bij horen”, zei ze vaak. Ik merkte dat het me niet uitmaakte wat ze zei want alles wat ze zei klonk zo sensueel en zag er zo aantrekkelijk uit. Als haar rode lippen zich soepeltjes bewogen tussen het blonde haar en onder de blauwe ogen, dan smolt ik. Dan kreeg ik onmiddellijk aandrang voor de volgende stormloop op haar bastions en…meestal kwam het ook zo ver.

En elke keer, willekeurig ergens tijdens de vrijpartij, kwam in mijn hoofd het beeld op van mijn sjagrijnige ouders in Deurne die hun greep op mij waren kwijtgeraakt en schoot het door mijn hoofd: “zo is het goed.”

De integrale tekst van begin tot eind (voor zover klaar) kunt u lezen op Komt een man bij de dokter

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo sp[aarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broere, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, el;ke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren.

 

 

 

 

“Komt een man bij de dokter…” Nee, daar moet ik niet beginnen. Ik moet beginnen bij mijn jeugd, mijn vader die als paardenslager in het dorp Deurne nou niet bepaald de meest geziene inwoner was. Deurnaren laten zich graag voorstaan op hun liefde voor paaren en de slagerdie het vlees dan ook nog veel te goedkoop verkoopt, hoort daar niet bij.

Wij woonden dan ook helemaal aan het arme uiteinde van het dorp en op school werd ik met de nek aangekeken. De enige klanten die met opgeheven hoofd bij mijn vader in de winkel kwamen, waren de Joden van het dorp. Niet omdat zij zoveel van paardenvlees hielden maar omdat zij varkensvlees nog lager aansloegen en het was goedkoop. En ja, de klandizie was inderdaad teruggelopen sinds 1945.

In de kerk moesten we altijd in een bepaald hoekje achteraf staan en dat gaf al een heel vernederend gevoel. We kwamen nauwelijks in aanmerking voor het ouweltje. Als het zover was, keek ik altijd stiekem naar het gezicht van de priester om te zien of hij bij ons een extra vies gezicht trok.  Volgen mij was dat zo, altijd en daarom voelde ik er niet veel voor om koorknaap te worden maar mijn ouders deden er hun uiterste best voor. Ze probeerden de monniken van het klooster zelfs goedkoper paardenrookvlees aan te bieden om het zover te krijgen maar…de overste klaagde dat hij altijd zo moest hoesten van die rooklucht…

Hoe dan ook, mijn vader werkte dag in dag uit, alleen op zondag ging hij naar de kerk en ’s middags kreeg hij wel eens een vriend op bezoek. Vrienden had hij wel, niet uit Deurne. Ik herinner mij een mager, klein mannetje met een veel te grote boerenpet waarvan mijn vader beweerde dat het “gelders”  was. Ik zag altijd met tegenzin hoe dat mannetje aan mijn Rietje, zusje, zat te friemelen en intussen niet anders deed dan een taaltje uit brabbelen. Zo nu en dan onderbrak hij zijn betoog met een stevige rochel en dan ging hij piepend en hijgend weer verder.  Mijn vader zei nooit iets van dat gefriemel en mijn moeder leek het niet te zien. Mijn vader luisterde naar het mannetje dat uit zijn bruine bek stonk als een dood paard. Intussen probeerde mijn zusje aan zijn enge klauwen te ontkomen. Als haar dat eenmaal gelukt was, rende ze naar me toe en riep ze dat ze wilde spelen. Dat mannetje gluurde haar dan nog met smalle oogjes na. Een keer heb ik hem gevraagd of hij met zijn poten van mijn zusje wilde afblijven. Het werd doodstil en mijn vader zei: ” XZeg waar bemoei jij je mee…?”  Ik heb toen een hooivork gepakt en die man in zij  zij geprikt…dat hielp, hij liet meteen los en ik, ik moest de slachtershal schoonmaken…klerewerk. Bah, maar Rietje kwam me helpen…!

Mijn vader werkte zich dus een slag in de rondte. Hij moest ook zelf de paarden slachten en dat was een hele klus. Meestal sloeg hij ze met ene hamer keihard op hun hoofd zodat ze verdoofd wasren maar dat mislukte ook wel een en dan lag zo’n dier een tijd uur te stuiptrekken. Ik kwam liever niet in de slachthal als er paarden waren. Vrijdag kwamen de leveranciers meestal. Er waren boeren bij uit de omgeving maar natuurlijk ook de mensen van de manege-opleiding NHB. Allemaal hetzelfde ruwe, botte volk. Er zaten weinig paardenvrienden bij maar ja…daar leert je als paardenslager natuurlijk niet op. Wat ik er wel van leerde was dat hard werken een prima tijdpassering was. Als je werkt, heb je vrij weinig last van anderen en…je kunt er nog wat mee bereiken ook.

Intussen zat ik voor mijn verdriet op school. Een bleke, lange, magere jongen met dikke puisten pestte mij constant, lichtte mij beentje en deed een keer sperma in mijn drinkflesje. Ik had het pas door na een forse slok… Op ene goeie dag had i er zó genoeg van dat ik hem een klap voor zijn kop gaf. Daar is hij nooit helemaal van bijgekomen en hij moest naar een andere school toe waar ze kinderen met hersenschade konden helpen. En ik ook…ik kwam buiten Deurne op school terecht. Dat had het voordeel dat ik steeds minder van mijn familie zag. Uit zo’n gezin kom ik dus…. (wordt vervolgd)

II

De zon scheen op de zanderige paden van Deurne  want Deurne was in die tijd nog een dromerig zelfingenomen dorp. Het was alsof alles in het dorp erom riep de zon in zijn ban gevangen te houden maar steeds bleek weer dat zoiets niet lukte. Mooiwas het wel, die gedachte dat de zon door het dorp kon worden vastgehouden en mooi warebn ook de paarden die geregeld aan de hand van de leerling-rijinsatructeurs door het dorp stapten, een dikke wolk stof achterlatend en…mooi was de andere kant van het dorp, daar waar ik niet woonde…de rijke kant. Daar had je het huis van de burgemeester, de dokter, die wij ook bezochten omdat het de enige was en de notaris. Dat huis van de notaris, daar was iets bijzonders mee. Daar woonde namelijk Jeltje, een meisje met hoogblond haar, een meisje dat ondanks haar weinig Brabantse naam zowat alle jongens van het dorp achter zich aan had. Jeltje hield ook mijn oog op haar gericht maar ja, de zoon van de geminachte paardenslager, hoeveel kans zou die maken? Jeltje was dus populair en ze wist het. Als ze door het dorp liep schudde ze altijd extra uitdagend met heur haar dat in lange lokken over haar schouders viel.

Zij liep vlak voor mij uit, terwijl ik fietste in de richting van de school. Ik bleef achter haar hangen om even wat langer te genieten van haar zwaaiende, lange haar en haar sierlijke bewegingen, haar slanke heupen en haar wulpse kontje. Er kwam een gevoelsmatige waas in mijn hersens bij het aanschouwen van al die pracht maar die werd wreed doorbroken doordat Jeltje achterom keek. “Moe?”  vroeg ze met pret in haar ogen omdat ze heel goed wist waarom ik zo langzaam fietste.  Ik werd in verwarring gebracht door haar vraag en trapte wat harder. Geen woord kon ik uitbrengen en ik kon haar glimlach bijna door mijn overhemd heen voelen…

De school was leuk hoor al dwaalden mijn gedachten steeds vaker af naar dat grote, mooie huis van de notaris en zag ik haar in gedachten door de kamers dwalen. Op de terugweg scheen de zon in mijn ogen en weerkaatste het zand van het pad het felle zonlicht. Ik zag bijna niets, behalve Jeltje… en daar waar de contouren, het silhouet, van haarhuis zich tegen de scherpe lucht aftekende, gooide ik mijn fiets op de grond. Ik moest het nu doodeenvoudig weten, ik zou het weten…

Ik rende over het stoffige pad naar de deftige voordeur en merkte de kar van de melkboer niet op, waarschijnlijk had ik geluk dat het hekje voor het pad openstond, anders was ik met mijn borst in de scherpe punten gerend. Mijn onderbuik vertelde mij dat ik door moest, verder..mijn hart klopte zelfs tot in mijn onderbroek… Ik liet de klopper op de deur vallen en probeerde mijngehijg en erectie die ik intussen had opgelopen, te onderdrukken. Langzaam schoof de  voordeur over een dikke kokosmat en in de donkerte daarachter verscheen het gezicht van een grijze vrouw in een bloemetjesjurk. ” Aha, de jongen van de paardenslager…” kraaide haar stem. ” Wat moet je?”

Als ik al moed had verzameld, dan was die nu weg… “Is Jeltje thuis?”  vroeg ik haast onverstaanbaar zodat ik het voor de oren van het oude vrouwmens nog een keer moest herhalen ook. “Dat gaat jou toch niets aan?”  vroeg zij met haar schorre kippenstem. “Scheer je weg, arbeidersjong!” Omdat mijn moed al lang in mijn schoenen was gezakt, wist ik niets beters te doen dan mij om te draaien en weg te lopen, in een sukkelgang het tuinpad af en deze keer moest ik het dichtgevallen hekje open en dicht doen. Langzaam ging ik op weg naar huis maar achter de struiken van de tuin van de notaris hoorde ik een stem. ” Ik wil je graag een keer zien”, het was Jeltjes stem. ” Laten we vanmiddag afspreken in de Smidse bosjes… Ik lachte en kreeg een brok mijn keel. ” Ik zal er zijn”, zei ik zachtjes. Pas thuis ontdekte ik dat ik mijn fiets vergeten had…erg was dat niet…de Smidse bosjes lokten daar vlakbij.

Toen ik haar slipje naar beneden trok, wist ik dat het ook voor mij de eerste keer was maar ik deed net alsof ik een ervaren minnaar was. Dat merkte zij toch niet omdat het haar eerste keer was…Ze wist nog van toeten noch blazen. Het was zo’n mooie ervaring dat ik nooit meer anders wilde en nooit meer naar een ander heb omgekeken. Ja, zo leerde ik mijn vrouw kennen…in de Smidse bosjes.  Die avond kreeg ik thuis op mijn mieter omdat ik mijnfiets ergens had laten liggen. Hij was thuisgebracht door een boertje in de buurt van de Smidse bosjes. Ik mocht meteen de slachthal schoonmaken. Voor de zoveelste keer. Natuurlijk vroegen mijn ouders zich af waar ik al die tijd toch was geweest maar ik zag kans mijn relatie met Jeltje voor hen geheim te houden.

Dat was eigenlijk gek want zo vaak ik kon, fietste ik met haar mee en dan praatten we over alles dat je maar bedenken kon: paardenbiefstuk, de zandweggetjes in het dorp maar vooral de andere jongens die dagelijks heen en weer fietsten en soms kwam die jongen die ik zo hard op zijn hoofd had geslagen aan bod. Hij scheen een blijvend hersenletsel eraan overgehouden te hebben hoewel lang niet iedereen een verschil merkte. Hoe dan ook, hij bleef op het speciaal onderwijs voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten. Wie mij pest…kan de ziekte verwachten, zo is dat. Zo is het ook altijd gebleven.

Duidelijk werd het intussen wel. Jeltje en ik, wij hoorden bij elkaar en het was een wonder dat we niet al drie kinderen hadden voordat we trouwden.

Vertel uw verhaal, over uw leukste date…van gisteren of vandaag….