You are currently browsing the category archive for the ‘Ariel Bruens’ category.

Jeroen…ik heb hem een paar keer “het zoontje”  genoemd en dat is kenmerkend. Jeroen…hij leek als het ware een leven van zichzelf te leiden, wat natuurlijk niet kon. Vooral sinds hij naar school ging, onttrok zijn doen en laten zich dagelijks lange tijd aan  ons blikveld en nu we in de nieuwe situatie waren geraakt, was dat nog sterker. Van Herman, de kater, kon je nog zeggen dat hij om de haverklap om aandacht vroeg maar Jeroen…die was gewoon urenlang onder de pannen bij iemand anders.

Zelfs tussen de middag kwam hij niet meer thuis. De school was echt van alle markten thuis en gaf de leerlingen te eten en te drinken. Dat kostte wat meer dan had je ook wat en ik hoefde hem alleen maar om 08.30 af te zetten en om 17.00 uur weer op te halen. Vaak wilde hij dan nog met een vriendje spelen, wat we ook weer prima vonden ” Maar niet bij ons thuis, Jeroen, dat kan nu even niet… .”  Ik geloof niet dat Jeroen het heel erg vond. De sfeer in huis was misschien niet zo geschikt voor spelende kinderen. Hij voelde dat natuurlijk maar een enkele keer zag ik iets in zijn ogen, ik zag het maar ik deed er niets mee. Ik bleef onverbiddelijk en hard. We konden geen spelende kinderen in huis hebben. We wilden zelf immers op de grond zitten, met drie volwassen mensen. Het was opmerkelijk dat Jeltje er ook nooit om vroeg. Gek genoeg was haar behoefte aan Jeroen om zich heen maar heel klein. Alleen ’s avonds, tegen bedtijd, als ze hem naar bed bracht en voorlas….dan was er een ondoorgrondelijke eenheid en liefde tussen die twee… Ze las voor, ze las voor en het kon haar niet schelen hoelang het duurde en waarover het ging. Na afloop had ze altijd de tranen in haar ogen staan…

Maar wat moest ik ermee? Ons samenleven was helemaal niet geschikt voor de verzorging van kinderen tussendoor. Eten en wegwezen was het devies. Neuspoetsen, zelfs daarvoor was overdag zelden tijd. Nu, nu ik zo nu en dan weer naar Jeroen kijk, hoe hij door huis loopt op zoek naar iets dat hij niet kan vinden, zijn moeder die hij zo heeft genist…en dan, hij heeft geen besef hoe erg zijn moeder hem heeft gemist. Want zelfs al deed ze weinig om haar zoontje in haar omgeving te hebben, ze miste hem tot op het bot, en nog dieper…tot in haar baarmoeder die nu zo vreselijk no-go area was. Jeroen was het enige tastbare bewijs van haar moederlijkheid, ze was dat wat ze diep in zich had gedragen en wilde dat niet vermengen met de vuiligheid die zich daar nu bevond…

We spraken er nooit over maar ik kon het aan haar zien. Aan haar gebaren en haar lichaamshouding als ze Jeroen over zijn krullen streelde maar vooral….asl ze hem voorlas. Ik kon het ook zien als Froukje dat een enkele keer deed omdat Jeltje het gewoon niet meer kon opbrengen aan het eind van de dag. Dan was er haast haat en nijd in haar ogen. Geen haat tegenover Froukje maar haat voor alles….en haat voor haar eigen onvermogen van het moment…

Uit alles bleek dat ze Jeroen miste, ze miste alles aan hem. Hoe hij groot werd, blij was, speelde, huilde en beter leerde spreken en leerde schrijven…alles….  Soms huilde Jeltje zo maar ineens en dan vroeg ik niet eens waarom. Ik sloot haar in mijn armen en dacht eraan hoe blij ik was dat ze er nog was. Ik vroeg niet meer naar oorzaak en schuld en boete, ik vroeg alleen maar om leven….

Ik weet niet wat Jeroen is bijgebleven van die dagen. Ik merk wel eens een soort schuwheid tegenover andere mensen, juist de mensen die hij goed zou moeten kennen. Ooms en tantes die we nu wel weer eens opzoeken, het lijkt of het vreemden voor hem zijn.  Of hij er afstand van wil nemen. Dan duikt hij haast tegen me weg terwijl ik van hem volwassen gedrag verwacht. Pas later op de dag bedenk ik me dan vaak dat hij er niets aan kon doen en nu nog steeds niets aan kan doen. Het moet slijten, de eenzaamheid die hij als klein kind heeft ervaren…die heeft zich dieper in hem ingevroten dan we hadden gedacht.

vandaag vroeg hij me of hij een foto van zijn moeder op zijn kamer mocht hebben. ” Gewoon om vanuit mijn bed naar te kijken”, zei hij. ” Dat was wat hij zei maar ik weet zeker dat zijn verlangen verder gaat. Ik weet zeker dat hij met zijn moeder praat, vanuit zijn bed. Dan bedenkt hij hoe ze op de rand van zijn bed zit, dan voelt hij weer hoe haar hand door zijn krullen gaat en hoe ze hem een nachtkus geeft….die foto heb ik gegeven, in een eenvoudige lijst want het beeld mag niet worden verstoord….

 

 

Advertenties

Je kon niet zeggen dat ze lang aan het woord bleef, het duurde gewoon eindeloos  en  klonk als een immer voortdenderende trein. Mijn vriend zat er zonder met de ogen te knipperen naast en glimlachte zo nu en dan omdat zijn vriendin iets vertelde dat zij beiden kennelijk erg komisch vonden. Ik had van begin tot het eind niet het idee dat één van ons drieën er geïnteresseerd naar luisterde. Toch zag vooral Froukje nog wel kans zo nu en dan een pseudo geïnteresseerde vraag er tussendoor te gooien en dan ging de hele vertellende grasmaaier weer van start.

Het viel niemand mee om er een woord tussen te krijgen en het viel mij al helemaal niet mee Jeltje bij de les te houden. Die viel geregeld in slaap. Soms liet ik haar gewoon lekker liggen, een andere keer probeerde ik onopgemerkt haar aandacht te vragen voor het buitenwoon boeiende verhaal. Intussen zat mijn vriend, onze BOB zal ik maar zeggen, het ene na het andere glas bier weg te werken. Dat beloofde nog wat. Zijn vriendin kabbelde intussen jolig verder over het geluk dat zij tweeën aan elkaar beleefden. Het werd bijna genant. Plotseling viel Froukje haar in de rede:” Denk je er wel eens over dat er ook mensen bij kunnen zitten met een rothuwelijk?”  Ze vroeg het strak, sjagrijnig en resoluut. De spreekster ontkwam er niet aan dat ze antwoord moest geven.

Even was ze van de kaart. ” Nou ja, zo erg is het allemaal toch niet”, giechelde ze een beetje onhandig. Onmiddellijk daarna ging ze weer verder met haar verhaal totdat Froukje kans zag er een gat in te slaan. ” Nou, bij mij wel hoor! Bij mij is het wel zo erg, we liggen dagelijks met elkaar overhoop”, ze gooide zelfs een paar tranen in de strijd en dat kostte haar helemaal geen moeite. Ik kon zien dat ze echt waren en zo kwamen ze ook over want de vriendin van mijn vriend was ineens stil. Ze zat even sip voor zich uit te kijken en wilde net opnieuw beginnen te vertellen toen Froukje haar opnieuw voor was. “Weet je wat het is?”  zei ze langzaam. ” Soms kan ik me erg prettig voelen bij het geluk van een ander maar zoals jij het vertelt….het klinkt net alsof wij alleen maar luisterbehang zijn.”

Het was meteen helemaal doodstil. Niemand deed nog een mond open en ik dacht bij me zelf ” Oei, we moeten straks nog wel met hun auto terug naar huis”. Zover was het dus al met me, ik begon onmiddellijk aan mijn  eigen situatie te denken. Intussen was Froukje weer begonnen. ” Jij praat op ene manier waardoor niemand de kans krijgt iets over zichzelf te vertellen. Alleen JOUW verhaal is belangrijk!”  “Oei”, pareerde de vriendin van mijn vriend nu. ” Het lijkt wel of er bij jou heel wat scheef zit, of is dat alleen vandaag?”  Froukje plofte haar halverwege in de rede. ” Nee, dat is niet alleen vandaag en het is de laatste maanden al zo en het zal de rest van mijn leven niet meer veranderen, snap je dat?”

Er lag een ijzingwekkende stilte in de ruimte. ” Kom”, zei mijn vriend eindelijk. ” Het wordt tijd om naar huis te gaan.” Hij stond op en betaalde de hele rekening. Van mij wilde hij geen geld aannemen. ” We gaan rijden”, zei hij vlakjes. Onderweg naar de auto bleek dat hij behoorlijk over de weg zwalkte en ik kreeg even het idee om hem te vragen het stuur van hem over te nemen maar een echt goed idee leek me dat ook weer niet. Het was misschien vreemd maar ik was even het stuur over mezelf kwijt.

Voordat ik het wist brulde ik daarom naar hem: “Zeg, dronken lor, denk je niet dat het beter is als ik rijd?”  Mijn vriend trok zijn wenkbrauwen op en keek mij onderzoekend aan. ” Hoezo? Ik ben nog best in staat om in een rechte lijn te rijden, hoor!”  Mijn antwoord daarop lag al klaar voordat hij stopte met praten. ” Daar ben ik nu juist zo bang voor, dat je niet door hebt dat er een bocht is.”  Mijn vriend begon te gieren van het lachen en smeet de autosleutels naar mij toe.Iets in hem moet hem hebben ingegeven dat het beter was om zich te laten rijden. Het betekende trouwens wel dat hij met zijn vriendin op de achterbank dook, naast Froukje en Jeltje. Met alle kracht die in haar was, stapte Jeltje uit. Ze liep om de auto heen en kroop op de passagiersstoel naast mij. Het werd voor Froukje stil en eenzaam op de achterbank. Vooral stil want mijn vriend en zijn vriendin hingen over elkaar heen zonderdat er een woord uitkwam.

Het maakte de rit wel een stuk gemakkelijker. Niemand was verplicht een woord te zeggen of ene gesprek te voeren. En zo toerden we in een supertempo naar huis. Ik stopte zonder blikken of blozen voor mijn eigen huisdeur, stapte uit en liet Jeltje en ~Froukje uitstappen. ” Sorry jongens, verder gaat de reis vandaag niet. Het laatste wat ik ooit van ze heb gezien is de auto die stil bleef staan aan de kant van de weg. Toen de deur eenmaal dicht was, wasren we weer met z’n drieën en zonder iets te zeggen, besloten we niet meer met vrienden op stap te gaan. We hebben ze nooit meer terug gezien….

Boos? Was ik boos? Heel alleen in mijn bed in het holst van de nacht schoot die gedachte door mijn hoofd en op een keer werd ik er wakker van. Was ik boos? Ik woelde en draaide in bed en krabde op plaatsen waar ik graag kwam en op plaatsen waar ik graag mijn vrouw liet komen. Het maakte me alleen maar onrustiger en de vraag bleef me bezighouden.

Slapen deed ik dus niet meer en het klamme zweet begon me zelfs uit te breken. Ik zag onze eerste stappen in Deurne, de allereerste afspraak en het gedoe met de fiets. Ik zag het afgrijselijke gedrag van sommig bezoek bij ons thuis en ik zag de verlossing op onze eerste kamer. Het was wel opmerkelijk dat ik op geen enkel moment tranen in me voelde opwellen terwijl ik me toch heel eenzaam voelde. Eenzaam en koud, zo koud als ik me zelfs in de winter daarvoor niet had gevoeld en…het hielp niet om de verwarming hoger te zetten. Ik bleef het koud hebben. Om een beetje op temperatuur te komen begon ik heen en weer te lopen door de kamer, met sloffen aan en van tijd tot tijd leek het of mijn voeten warm werden.

Zo merkte ik niet hoe heel zachtjes de deur van mijn slaapkamer openging. Ik had het pas door toen er ene lichtstraal in de kamer naar binnen viel. Ik wilde me omdraaien maar het was al te laat. Jeltjes handen gleden over mijn schouders en ze fluisterde in mijn oor. ” Heb je het ook zo koud en kun je daardoor ook niet slapen?” Ik had de kracht niet om er tegenin te gaan en “nee” te zeggen. Haar handen lieten weer warmte in mijn lichaam vloeien zoals dat altijd was geweest. Zoals ik dat kende en het voelde precies zo aan als vroeger. Ik merkte hoe heel mijn weerstand en de opgebouwde weerzin wegtrokken en hoe ik alleen maar weer meer zin in haar kreeg. Even schoot het door mijn hoofd: wat maakt het uit als we allebei met HIV besmet zijn? Er kan dus niets meer gebeuren.”

Of zij er zó diepgaand over na had gedacht, dat heeft ze mij nooit verteld maar ze leek geen remmingen te hebben. Integendeel, het liefdesspel was heftiger dan ooit tevoren en ik raakte al gauw de tel kwijt bij het aantal krassen op mijn rug. Hoelang het duurde weet ik ook iet meer maar ik weet zeker dat we in slaap vielen toen de kat begon te mauwen om naar buiten te kunnen.  En voor het werk was het ook slecht, we hebben ons ziek gemeld en zijn toen weer samen in bed gekropen. Pas tegen het avondeten zijn we eruit gekomen. Arme kat, het dier was doorweekt!

Ik weet niet meer hoe ik me die avond voelde maar het gekke was dat we weer ieder in een hoek van de kamer kropen. Zo nu en dan leken we elkaar niet meer dan schuwe blikken toe  te werpen. Daar zaten we weer, ieder met onze eigen gedachten en tegelijkertijd met die heerlije herinnering van de afgelopen nacht en dag in het achterhoofd…en toch…kon ik ook die avond niet meer opbrnegen dan ” slaap lekker”. Toen liep ik weg.

Het bleef zo, we waren stil en we vreeën en hartstochtelijker vaak dan in de maanden daarvoor hoewel je je dat toch bijna niet voor kon stellen. Zo ging dat veertien dagen lang. Plots kwam er een dag, een dinsdag dat we uitgeblust en bekaf waren. We gingnen naar ons werk en ’s avonds thuis aten we zwijgend samen aan tafel. Als iemand van buitenaf naar binnen had gekeken, zou het er bijna normaal hebben uitgezien. Maar het was niet normaal en ik begon me af te vragen of er niet iets echts moest gebeuren, iets dat hout zou snijden.

Die nacht sliep ik weer niet maar het was niet Jeltje waaraan ik dacht en ook de slaapkamerdeur ging niet open. Ik lag me helemaal suf te piekeren over een oplossing van het probleem. Natuurlijk, ik kon het nog steeds niet hebben dat zij deed alsof ik de oorzaak was van de HIV-besmetting. Maar verder dan, wat moest je doen? Scheiden? Zou dat iets oplossen? Wie zou zich daar gelukkig bij gaan voelen? We waren allebei ziek, of we liepen kans op een zware ziekte en ging het ons dan helpen om daarover ruzie te maken?

 

Ik heb nooit geweten dat je hersens verdoofd konden worden maar het kan. De klap kwam harder aan dan ik verwacht had…gewoon op zo’n doordeweekse dag, ochtend eigenlijk, in de wetenschap dat er nog mensen in de wachtkamer zitten. Ik zat daar maar op die stoel, te staren naar het papier waarop de uitslag was weergegeven. HIV!

Welke gedachte er door mijn hoofd ging als eerste? Ik weet het echt niet meer, geen denken aan. Volgens mij was het gewoon: “Dus toch”  maar dat was geen acceptatie ofzo, het was een soort opvangen van de schrik. Een schokbreker in mijn hoofd. Het hielp natuurlijk niets en ik zat voor mijn gevoel wel ene uur met geboden hoofd aan het bureau van de dokter. Ik hoorde zijn stem ergens in de verte zeggen: ” We moeten nu kijken hoe we de gevolgen in de hand kunnen houden.”

De gevolgen? Ik wilde daar niet eens over denken. De gevolgen. Waren er gevolgen? Ik wist alleen dat ik daar zat aan dat bureau met het bericht dat ik HIV had en dat ik dus gewoon een dreun voor mijn kop had gekregen. Daar zaten geen gevolgen bij..of het gevolg moest zijn dat ik geen woord meer kon denken, laat staan uitbrengen.

De dokter keek mij onderzoekend aan zonder iets te zeggen maar ik begreep dat het niet lang kon duren op die manier. Voor hem was er meer te doen, voor mij niets…nee, waarom zou ik nog iets doen? Ik kon me hier laten wegdragen of naar huis laten brengen en dan nog…er zou niets veranderen. Er hing een ijzige stilte in de spreekkamer en ik was niet in staat die te doorbreken. Ik voelde hoe een handvol woorden zich opzamelde achter mijn tong en tanden en geen weg naar buiten kon vinden omdat daarvoor nu eenmaal een bepaalde volg-orde nodig is. Die was er niet. Mijn woorden waren in paniek, niet ik …mijn woorden wel.

“Voorlopig geef ik u dit mee”, zei de dokter langzaam en hij legde een briefje over, ik vermoed dat er een recept op stond en misschien wel een praatgroep. ” Er is heel veel te verhelpen aan de situatie”, ging hij verder. “Het is zelfs mogelijk dat het virus niet tot uitbarsting komt en dat u er nooit last van zult hebben of pas heel laat. Het is goed om de ontwikkelingen te blijven peilen en…om te kijken of u bepaalde ziektekiemen onder de leden heeft.”

Ik walgde, ik walgde dubbel, van de dokter en van de briefjes en van de spreekkamer en van alles. Plotseling sprong ik overeind, griste de briefjes van het bureau, propte ze in mijn zak en rende de kamer uit. ” Ik heb aids”, schreeuwde ik op de gang en keihard in de wachtkamer. ” Ik heb aids mensen, eindelijk is het zover. Gerechtigheid, zegt hij…”  en ik wees in de richting van de spreekkamer. Ik nam de moeite niet om te wachten op de reacties van de andere patiënten en rende de deur uit en jubelde: ” Ik heb aids, ik heb aids, God heeft me uitverkoren.”

Meteen daarop sprong ik op mijn fiets en ik reed fluitend naar huis. Nog nooit eerder had ik zo hard gefloten op straat…iets van Santana of nee…Too much love can kill you, van Queen geloof ik, ja van Queen…” Gek hè, zou het toevallig zijn dat die song op dat moment mijn mond uitkwam. Maar wel fluitend hè, want de woorden stonden nog steeds in de verkeerde volgorde.” Ik kwakte mijn fiets met een haast perfecte boog tussen de andere rommel in de schuur,sloeg de deur dicht  en stapte met grote passen naar binnen. ” Schat, ik heb HIV”, riep ik zo hard mogelijk….  Er kwam niet direct antwoord maar het duurde niet lang of ik hoorde gestommel op de trap en de kamerdeur vloog even later wagenwijd open. Ik herhaalde mijn zin in hetzelfde volume en ik zag hoe Jeltjes mond openviel, hoe zij duizelde. Ik voelde de neiging in me opkomen om haar op te vangen en…ik deed het ook. Ze viel voorover in mijn armen, sloeg haar armen om mijn nek en barstte uit in snikken. Maar toen gebeurde er iets geks. Ze worstelde zich los en keek mij verwijtend aan. ” Hoe kun je zo stom zijn geweest?”  vroeg ze. Haar laatste tranen werkte ze weg met een simpele handbeweging. ” Hoe kon je zo stom zijn” herhaalde ze en het verbaasde me nog dat ze nie stampvoette.

Nog nooit eerder had ik het gevoel gehad tegen een vreemde te praten en naar een vreemde te kijken maar nu veranderde Jeltje voor mij in iemand die ik niet kende. Opnieuw haperden mijn woorden maar dit keer niet omdat ze paniekerig voor mijn tanden hokten. Nee, ze werden tegengehouden door woede want één ding wist ik zeker: IK was niet de bron van de ziekte in huis. Maar ja, hoe zou ik dat duidelijk kunnen maken? Natuurlijk, er waren technieken voor en natuurlijk, als er één was die het wist, dan was het Jeltje maar voor al die overpeinzingen en gedachten had ik nu geen tijd. ” Ik ga op de zolderkamer slapen”, zei ze briesend en met grote stappen liep ze de trap op, mij achterlatend met het gevoel van leegte en ijzige kou diep in me…

.

De dokter

Een goeie baan, nou ja, wat geld betreft dan hè…ik moest zo’n twaalf uur per dag werken en dat legde ons dan weer geen windeieren. In het begin was het nog leuk en kwam ik ’s avonds met een lachend gezicht en kusjes thuis en zoende ik de kinderen of nam ze op schoot. Papa was niet alleen maar de man die ’s zondags het vlees sneed, ik was ook de beste vriend van de kindereren, tot het genoegen van Jeltje.

En toch…we zagen elkaar wat minder, ook in bed. Na een werkdag was ik afgetobd en kwam ik niet aan het ontspannen toe dat in het verleden tot zoveel mooie momenten had geleid. Eerlijk gezegd, ik had er ook niet zoveel zin meer in. Ik begon in Jeltje steeds meer de moeder van mijn kinderen te zien en steeds minder een vrouw om gek op te worden, een vrouw die kriebels en tintelingen veroorzaakte of zelfs een gewone prooi voor mijn man-zijn. Aan de andere kant leverde het nauwelijks problemen op want ik had het idee dat het moederschap haar ook zwaarder viel dan ze had gedacht. ” Elke dag kom ik uren tekort”, zei ze en veel verder kwam ze dan niet omdat ik de energie niet kon opbrengen om naar de achtergronden van haar verhaal te luisteren. Een enkele keer liet ze wat doorschemeren. ” Wat ben je vroeg”, zei ze op een middag, toen ik inderdaad wat vroeger thuiskwam. Het klonk bijna teleurgesteld. Met tuitlipjes bergde ze haar teken- en schilderspullen op. Niet dat het nodig was geweest want een kwartier later lag ik in mijn draaistoel te knorren. Haast zuchtend haalde ze haar hobby weer tevoorschijn. Het zal een twee uur later zijn geweest toen ze me wakker maakte met de opmerking “het eten is klaar”  en een zoen. Haar teken- en schilderspullen waren toen al weer opgeborgen omdat we de tafel nodig hadden voor het eten en…ik had dus niets van haar werk gezien.

Later begreep ik haar opmerkingen over de beperkte tijd die ik voor haar had. ” Kom eens bij me zitten”,  “Luister eens”, “Wat moeten we met…”, “Doe eens rustiger aan…” en zo ging het maar door maar ik hoorde de onderliggende boodschap natuurlijk niet: “Geef mij eens wat meer aandacht.” Nee, ik klopte mijzelf op de borst en vond mijzelf een kampioen in het onderhouden van een gezin. Van tijd tot tijd gingen we met vakantie naar een binnenlandse bestemming omdat de kinderen nog zo klein waren. “Het is altijd leuk voor ze als er een zwembad in de buurt is”, zei Jeltje vaak en ik knikte braaf omdat ik aan de rand van het zwembad via mijn laptop mijn werk verder kon beheren.

Van vrijen kwam het zelfs in de vakantie niet meer omdat het doodeenvoudig niet meer in de cultuur zat, de cultuur van alledag.We keken tv zoals de meesten, maakten wandelingen en sliepen aan de rand van het zwembad en we dachten, we wilden geloven, dat we gelukkig waren. Alleen al de herinnering aan de verschrikkelijke jaren in Deurne, waren daarvoor voldoende.

Gezellig, ja zo kon je het wel noemen. We hadden een verdiepinkje van 6 bij 3 en als je van de tafel naar het bed liep, moest je over een stapel boeken heen klauteren.Studieboeken, we noemden dat de rijstebrijberg die de weg naar het walhalla blokkeerde maar waar je met veel moeite toch kon komen. Ons bed, dat was het walhalla. Met opzet kozen we voor het Germaanse begrip en niet voor hemel want dat klonk zo erg “Deurnes”.  Het was natuurlijk niet voor niets dat we die muur van studieboeken voor ons bed hadden gebouwd. Als we dat niet hadden gedaan, hadden we nooit gestudeerd.

Jeltje zat trouwens sowieso al veel vaker met haar neus in de boekendan ik. Ik tekende en als ze dat zag, zei ze: “ben je nu al weer met ons droomhuis bezig?” Dan kwam ze naast me zitten, half op schoot, gaf ze me kusjes en boog ze zich over de tekening om te zien hoe ik het me allemaal voorstelde. Als een echte vrouw gaf ze ook praktische aanwijzingen. Dan zette ze gewoon haar knalrood gelakte wijsvingernagel op de laatste plek waar ik had getekend  en dan zei ze: ” en hier komt de kinderkamer.”

Niet dat de kinderwens bij Jeltje zo diep zat maar ze wilde graag een kind terwijl we nog ongetrouwd waren, om haar ouders te laten zien dat ik best wat waard was en…om heel Deurne op zijn grondvesten te laten schudden. De dochter die hokte met een man en al een kind had. BAH! Van tijd tot tijd lagen we ook gewoon tussen de studieboeken te vrijen en ook dat was wel heerlijk, al moesten we daarna vaak heel lang naar de bladwijzers zoeken.

Jeltje was gek op Delft en ze kon tijdenlang blijven turen voor een etalage met Delfts blauw. En ja natuurlijk moest ze naar de Prinsenhof en de kelders aan de Nieuwe Kerk om zoveel mogelijk te zien waar de Oranjes waren gebleven. Weliswaar had ze niet zoveel trek meer in de goeie, oude kerk van de paus maar het koningshuis, daar was ze dol op. “Je moet toch ergens bij horen”, zei ze vaak. Ik merkte dat het me niet uitmaakte wat ze zei want alles wat ze zei klonk zo sensueel en zag er zo aantrekkelijk uit. Als haar rode lippen zich soepeltjes bewogen tussen het blonde haar en onder de blauwe ogen, dan smolt ik. Dan kreeg ik onmiddellijk aandrang voor de volgende stormloop op haar bastions en…meestal kwam het ook zo ver.

En elke keer, willekeurig ergens tijdens de vrijpartij, kwam in mijn hoofd het beeld op van mijn sjagrijnige ouders in Deurne die hun greep op mij waren kwijtgeraakt en schoot het door mijn hoofd: “zo is het goed.”

De integrale tekst van begin tot eind (voor zover klaar) kunt u lezen op Komt een man bij de dokter

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo sp[aarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broere, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, el;ke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren.

 

 

 

 

kerstblauw.jpg

De laatste week voor Kerstmis. Ik houd ervan. De sfeer, de drukte, het gezang op straat, het gekrioel, de kerkelijke bijeenkomsten en de onzindingetjes, het hoort er allemaal bij. Dit is leven, denk ik. Iedereen is op ’n eigen manier bezig een leuk feest in gezelligheid voor te bereiden. Nou ja, niet iedereen natuurlijk. Er zijn ook mensen die geen gezelligheid hebben met kerst maar ja, daar doen we het eigenlijk allemaal toch ook voor?

Voor degenen die het niet zo leuk hebben, die zich niet bolrond kunnen eten en die maar beter van de fles kunnen afblijven omdat het anders onherroepelijk misgaat. Zelf kom ik geregeld iemand tegen die mij in niet mis te verstane bewoordingen toevoegt dat ik debiel of gek ben, vooral omdat ik er een soort religie op na houd, het geloof in het onmogelijke. Daarom geloof ik in de onbevlekte ontvangenis. Juist daarom. Zou ik echt een beetje gek zijn? Ik hoop het.

Volgens Ariel is het allemaal flauwekul en bedreigen die ” sprookjes”  alleen maar de wereld. Hij zegt dat in nog al grove bewoordingen ook en hij heet Ariel Bruens van Nederkrant, ook zo’n half fascistisch anti-Islamitisch blog. Daar is met Kerstmis niets te beleven hoor, daar gaat alles gewoon door, vooral met klagen. Volgens mij is hij een van degenen die niets hebben. We moeten, denk ik, veel goeds voor hem bedenken dezer dagen

Bij mij niet, ik ben op gek op Kerstmis. Ik houd dan altijd een beetje winterslaap en probeer zo min mogelijk mensen tegen te komen die ik ken. Ik ben er niet, even weg…gewoon even bij mezelf. De rest van het jaar ben ik er voor iedereen en lach, gier, brul en juich ik zelfs als het moet.

Een witte kerst zit er wel een beetje in, dankzij de rijp. Zou het de wolken erg veel moeite kosten om ook nog wat sneeuw naar beneden te gooien? Dat zou toch mooi zijn, maar het hoeft niet. Als ik mijn winterslaap maar volop mag genieten.

Kousels,

Kaj Elhorst

Http://sairaramira.wordpress.com

www.knmi.nl

www.schooltv.nl

www.spiritualiteit.com

www.alleskan.net

/

Blog Stats

  • 10.303 hits

RSS my home

  • Er is een fout opgetreden. De feed is waarschijnlijk uit de lucht. Probeer later opnieuw.
Advertenties