You are currently browsing the category archive for the ‘Ben ik wel daadkrachtig?’ category.

Het was een leugen of misschien gewoon gezichtsbedrog. Ik voelde met elke vezel in me aan dat Jeltje dolblij was dat haar zusje weer was opgelazerd. Ja, opgelazerd, in stilte dacht ze in dat soort termen. Natuurlijk wist ze heel goed welke rol Froukje voor mij vervulde, ja, ze had er bijna met haar neus bovenop gestaan, bijna was ze een paar keer haast over ons gestruikeld.

In werkelijkheid wilde Jeltje mij weer helemaal voor zichzelf. Niet alleen om mee te praten maar ook voor de seks. Natuurlijk, daaraan waren risico’s verbonden maar die golden vooral voor mij. Zijzelf was immers al behoorlijk ziek. Ze had weinig meer te verliezen. En zo malden mijn gedachten maar in mijn hoofd. Ze leken bij tijd en wijle bezit van me te nemen en dan keerde ik mij in gedachten ook weer van Jeltje af. Het vertrek van Froukje had op onze verhouding geen goede uitwerking.

Ik merkte wel dat ik achterdochtig was en soms zei ik tegen mezelf dat ik overal veel teveel achter zocht maar op de lange duur hielp dat niet. Ik bleef Jeltje wantrouwen. Dat nam niet weg dat we elkaar wel weer wat meer opzochten, logisch nu Froukje er niet meer was.

Op een ochtend had Jeltje zelfs heel ouderwets de tafel gedekt voor het ontbijt, het leek op onze eerste dagen, toen we pas bij elkaar waren. Dat deed me goed. het leek zelfs of de kamer weer net zo rook als toen en ook Jeroen vond het prettig. Hij begon zich haast als een normaal kind in een normale situatie te gedragen. Hij zat te wiebelen in z’n stoel, iets waarvoor heel veel ouders hem ene draai om de oren zouden hebben gegeven. Wij niet, wij zaten dicht naast elkaar en vrijdden voetje en dacht aan alternatieven voor penetrerende seks. Dat kan, ja het kan….

Maar niet bij het ontbijt want ik had nog steeds te maken met een klokje van gehoorzaamheid waaraan ik tegemoet moest komen. Van dat klokje was heel veel afhankelijk: huis, eten, drinkjes en noem maar op…en de auto, die natuurlijk ook. Alles bij elkaar was dat klokje nog behoorlijk onmisbaar en…voor mij was het een dagelijkse vlucht uit de sfeer in huis. Natuurlijk, die bepaalde ik voor een groot deel zelf maar ….pfff…weer zo’n vat vol gedachten in mijn hoofd en altijd weer die negatieve gedachten over de vrouw waar ik nota bene het meeste van houd, hield….   Ik kon die gedachten niet stil zetten. Vooral niet als ik eraan dacht hoe zorgeloos het allemaal nog had kunnen zijn.

Nou ja, voor zover je zorgeloos kunt leven als je een kind hebt. Mensen zeggen altijd dat je jeugd voorbij is als je kinderen hebt, dan krijg je de zorg voor ene hulpeloos wezen en toch….er is niets zo hulpeloos als een volwassenen die ongeneeslijk ziek is. Dan heb je pas met hulpeloosheid te maken. Zo’n kind, ons kind, Jeroen, hij kon het alleen maar opvrolijken. Na die verschrikkelijke keer in het ziekenhuis, was hij haast een rondrennende glimlach in huis geworden. En ja, we gingen anders met hem om dan voor die tijd. Kon het ook anders? Ons leven was toch ook volledig overhoop gegooid? Langzaamaan moesten we wennen aan de gedachte dat Jeltje dood zou gaan…eerst ziek zou worden en dan dood zou gaan. Wanneer? Dat was moeilijk te voorspellen. De dokter had gezegd dat het een paar maanden kon duren maar ook nog heel veel jaren.

Hoe leer je daarmee leven? “Mevrouw, u kunt volgende week doodgaan maar u kunt ook 80 worden…we zullen zien.”  Die doktoren zijn zo knap tegenwoordig…of misschien toch niet? Soms zaten we samen een potje te schelden op de huisarts en het ziekenhuis en op alle specialisten die we kenden en de apotheker en dan maakten we onszelf wijs dat we daar iets aan hadden. Het werd soms zelfs laat en dan ging het schelden over in zoenen en strelen en seks zonder seks omdat we gewoon niet in elkaar durfden te komen. Maar houden van elkaar…ja dat maak je met een ziekte niet kapot…

Soms hadden we de hoop dat onze liefde de ziekte kapot zou krijgen maar die gedachte vervloog week na week en op ene goeie dag zei Jeltje, ” jongens, als ik ga sterven, willen jullie dab ook niet net blijven doen alsof ik er nog ben? Sommige mensen doen jarenlang of de overledene er nog is. Dat doen ze uit respect of uit gewoonte off allebei tegelijk…mij moet je meteen vergeten.”  En toen huilden we…Jeroen niet, die begreep niet goed waarom zijn moeder het had gezegd. Hij had de woorden wel gehoord maar hij begreep nog niet dat het allemaal dichterbij was dan hij dacht.

We zaten nooit meer op de grond. Sinds Froukje de deur uit was, zaten we weer altijd op een stoel en heel vaak aan tafel om te eten. Het leek weer steeds meer een gezin. Een gezin waaraan je aan de buitenkant niets bijzonders kon zien. Die zomer ging Jeltje met mooi weer zelfs weer naar buiten. Het kostte haar moeite om in de zon te zitten maar in de schaduw kon ze het lang volhouden. Ze voerde zelfs weer vrolijke gesprekjes met de buurvrouw en als die vroeg waarom ze was opgehouden met werken, dan zei ze doodeenvoudig ” Voor Jeroen.”  Dat begreep iedereen.

Advertenties

Jeroen…ik heb hem een paar keer “het zoontje”  genoemd en dat is kenmerkend. Jeroen…hij leek als het ware een leven van zichzelf te leiden, wat natuurlijk niet kon. Vooral sinds hij naar school ging, onttrok zijn doen en laten zich dagelijks lange tijd aan  ons blikveld en nu we in de nieuwe situatie waren geraakt, was dat nog sterker. Van Herman, de kater, kon je nog zeggen dat hij om de haverklap om aandacht vroeg maar Jeroen…die was gewoon urenlang onder de pannen bij iemand anders.

Zelfs tussen de middag kwam hij niet meer thuis. De school was echt van alle markten thuis en gaf de leerlingen te eten en te drinken. Dat kostte wat meer dan had je ook wat en ik hoefde hem alleen maar om 08.30 af te zetten en om 17.00 uur weer op te halen. Vaak wilde hij dan nog met een vriendje spelen, wat we ook weer prima vonden ” Maar niet bij ons thuis, Jeroen, dat kan nu even niet… .”  Ik geloof niet dat Jeroen het heel erg vond. De sfeer in huis was misschien niet zo geschikt voor spelende kinderen. Hij voelde dat natuurlijk maar een enkele keer zag ik iets in zijn ogen, ik zag het maar ik deed er niets mee. Ik bleef onverbiddelijk en hard. We konden geen spelende kinderen in huis hebben. We wilden zelf immers op de grond zitten, met drie volwassen mensen. Het was opmerkelijk dat Jeltje er ook nooit om vroeg. Gek genoeg was haar behoefte aan Jeroen om zich heen maar heel klein. Alleen ’s avonds, tegen bedtijd, als ze hem naar bed bracht en voorlas….dan was er een ondoorgrondelijke eenheid en liefde tussen die twee… Ze las voor, ze las voor en het kon haar niet schelen hoelang het duurde en waarover het ging. Na afloop had ze altijd de tranen in haar ogen staan…

Maar wat moest ik ermee? Ons samenleven was helemaal niet geschikt voor de verzorging van kinderen tussendoor. Eten en wegwezen was het devies. Neuspoetsen, zelfs daarvoor was overdag zelden tijd. Nu, nu ik zo nu en dan weer naar Jeroen kijk, hoe hij door huis loopt op zoek naar iets dat hij niet kan vinden, zijn moeder die hij zo heeft genist…en dan, hij heeft geen besef hoe erg zijn moeder hem heeft gemist. Want zelfs al deed ze weinig om haar zoontje in haar omgeving te hebben, ze miste hem tot op het bot, en nog dieper…tot in haar baarmoeder die nu zo vreselijk no-go area was. Jeroen was het enige tastbare bewijs van haar moederlijkheid, ze was dat wat ze diep in zich had gedragen en wilde dat niet vermengen met de vuiligheid die zich daar nu bevond…

We spraken er nooit over maar ik kon het aan haar zien. Aan haar gebaren en haar lichaamshouding als ze Jeroen over zijn krullen streelde maar vooral….asl ze hem voorlas. Ik kon het ook zien als Froukje dat een enkele keer deed omdat Jeltje het gewoon niet meer kon opbrengen aan het eind van de dag. Dan was er haast haat en nijd in haar ogen. Geen haat tegenover Froukje maar haat voor alles….en haat voor haar eigen onvermogen van het moment…

Uit alles bleek dat ze Jeroen miste, ze miste alles aan hem. Hoe hij groot werd, blij was, speelde, huilde en beter leerde spreken en leerde schrijven…alles….  Soms huilde Jeltje zo maar ineens en dan vroeg ik niet eens waarom. Ik sloot haar in mijn armen en dacht eraan hoe blij ik was dat ze er nog was. Ik vroeg niet meer naar oorzaak en schuld en boete, ik vroeg alleen maar om leven….

Ik weet niet wat Jeroen is bijgebleven van die dagen. Ik merk wel eens een soort schuwheid tegenover andere mensen, juist de mensen die hij goed zou moeten kennen. Ooms en tantes die we nu wel weer eens opzoeken, het lijkt of het vreemden voor hem zijn.  Of hij er afstand van wil nemen. Dan duikt hij haast tegen me weg terwijl ik van hem volwassen gedrag verwacht. Pas later op de dag bedenk ik me dan vaak dat hij er niets aan kon doen en nu nog steeds niets aan kan doen. Het moet slijten, de eenzaamheid die hij als klein kind heeft ervaren…die heeft zich dieper in hem ingevroten dan we hadden gedacht.

vandaag vroeg hij me of hij een foto van zijn moeder op zijn kamer mocht hebben. ” Gewoon om vanuit mijn bed naar te kijken”, zei hij. ” Dat was wat hij zei maar ik weet zeker dat zijn verlangen verder gaat. Ik weet zeker dat hij met zijn moeder praat, vanuit zijn bed. Dan bedenkt hij hoe ze op de rand van zijn bed zit, dan voelt hij weer hoe haar hand door zijn krullen gaat en hoe ze hem een nachtkus geeft….die foto heb ik gegeven, in een eenvoudige lijst want het beeld mag niet worden verstoord….

 

 

Ik weet niet wat ons overeind hield of misschien weet ik het nu wel. Toen wist ik het in elk geval niet. Het leek meer op een soort bestaan waarbij het bewustzijn volledig was uitgeschakeld. Pas een dag of meer dagen na een handeling, bleek mij wat de betekenis ervan was en wat mijn drijfveren waren geweest.

Nooit heb ik later ook pogingen ondernomen om uit te rekenen hoeveel liter drank er in die dagen doorheen is gegaan en hoeveel cocaïne we snoven. Ja, dat ook want drank en cocaïne zij de beste middelen om te vergeten dat je in ene geordende samenleving leeft. Niets is zo erg als een geordende samenleving als je je hebt voorgenomen gewoon ene leven te leiden zolang het leuk is.

Geborgenheid, geborgenheid, dat zochten we alle drie, geborgenheid in de wetenschap dat de buitenwereld niet wist hoe en wanneer we ons misdroegen. Niets is zo liefdevol als het gedeelde, verschrikkelijke geheim, zo lijkt het me nu want ik kan me niet herinneren dat er daarvoor of later tijden zijn geweest waarin ik zo godsgruwelijk van twee vrouwen tegelijkertijd heb gehouden.  Natuurlijk, voor het kind, voor het kind en de kat was het minder. Ik denk dat zij te weinig aandacht hebben gekregen in die tijd maar ja…aan de andere kant…het duurde alles bij elkaar maar ene paar maanden dus…

Ja, ik weet het de schade die je een kind toebrengt, is in een later stadium nauwelijks nog goed te maken. We hebben in later jaren wat afgetobd met “professionele hulp” maar daarover kom ik nog te spreken. Ja, ik denk dat we hem tekort hebben gedaan. De kat niet, die kreeg volop aandacht. Vooral Jeltje was erop gespitst elke ochtend voor hem een bordje magere melk en wat brokjes neer te zetten. Dat werd beloond doordat hij bij mij op schoot kwam zitten en zo hard spinde dat de hele familie me afgunstig aan zat te kijken. Soms vraag ik me af of poes ook begreep wat er gaande was, dat ze intuïtief het goede gevoel had.

What the heck, the cat! Nou, dat kon je zo niet zeggen want de kat was ons aller vriendje, de enige die volledig schuldeloos door het huis sloop en liet zien dat er meer was dan onze eigen muizenissen en doemdenkerijtjes. Hoe dan ook, een blijk van de veranderde waarden en normen was dat we steeds vaker op de grond zaten. Zelden of nooit zochten we onze stoelen en banken op. Zelfs eten deden we zittend op de grond. We hadden het gevoel dat we op onze stoelen en aan tafel teveel zichtbaar waren voor passerende buren. We hadden niet zoveel behoefte aan gezwaai en wuiven. We hadden echt meer dan genoeg aan onszelf.

Daar kwam nog bij dat stoelen, tafels en banken dwingend zijn als het gaat om de manier van zitten. Froukje had er ene pesthekel aan. Stoelen en banken deden haar denken aan haar man, die man met die godsgruwelijke voornaam die je het liefst zo diep mogelijk in de grond zou willen begraven of door het riool zou willen spoelen. Ze voelde zich in een stoel of op ene bank net zo gevangen als in haar huwelijk met die nitwit, die man die trouwens opmerkelijk minder vaak belde. Een enkele keer maakte ik er een opmerking over en dan zag ik een hoopvol licht opgloeien in haar ogen.

Jeltje zat het liefste op de grond omdat die haar de meeste bewegingsvrijheid gaf. Je kon er zitten, hurken, liggen, hangen zonder dat het nodig was om je te verplaatsen. “De grond is alles wat ik nodig heb om me gelukkig te voelen, en mijn man”, zei ze dan en dan sloeg ze haar beide armen heel klemmend om me heen. En dat…dat….maakte mij dan weer meteen heel duidelijk waar we eigenlijk mee bezig waren. Soms schoot het door me heen dat het misschien de laatste “loodjes”  waren want wanneer zou het onafwendbare zich voor gaan doen? Jeltje was steeds vaker moe en misselijk terwijl Froukje en ik nog relatief fris en vrolijk rondliepen. Jetje, mijn Jeltje….er ware momenten dat ik me helemaal alleen opsloot in een lege kamer en voelde hoe de tranen opwelden en vervolgens naar buiten spoten… Ik wilde die momenten niet aan haar laten zien en ook niet aan Froukje.

Het was mijn eigen energie en mijn eigen kracht die zulke momenten op moest vangen, zo vond ik. Van tijd tot tijd vroeg Jeltje me waarom ik me wel eens terug trok en dan moest ik smoezen verzinnen over geld tellen en boodschappen voorbereiden of iets voor het werk want ja….die meiden zaten de hele dag in huis maar ik moest dagelijks de deur uit. Hoewel, het was Froukje die ook steeds vaker aanbood om boodschappen te gaan doen. Ook zij hield het bij tijd en wijle toch ook niet alleen maar binnenshuis uit. Ik merkte dat wel en soms bekroop me de angst dat zij eigenlijk ernaar verlangde naar die grijze, gezichtloze, onbeweglijke slagboom die haar man was terug te willen gaan. Dat ze zich langzaam daarop voorbereidde maar ze zei er niets over. Daarom besloot ik haar er eens naar te vragen….maar ene nog groter vraag was: wanneer zou daarvoor het juiste moment zijn?

Juiste momenten….daar kwam alles op neer en ze waren steeds moeilijker te vinden omdat alles wat we deden vlagen van spontaneïteit en misschien moest het ook wel zo gebeuren. Misschien moest ik het gewoon een keer vragen als ik de woorden niet langer binnen kon houden.

Vrienden zijn als ijs…ze smelten weg als de grond hen te heet wordt onder de voeten. Ja, ik weet het, die vrienden met die auto heb ik zelf buiten in de kou laten staan maar het is opvallend hoe weinig vrienden je overhoudt als er ziekte heerst in je huis. Ik kreeg het gevoel dat er nooit meer iemand op bezoek kwam en dat er ook nooit meer iemand belde. Alleen die maffe echtgenoot van Froukje belde van tijd tot tijd om te vragen wanneer ze thuiskwam. Het antwoord was elke keer hetzelfde: zoek het even lekker zelf uit. Meestal kroop Froukje meteen na zo’n gesprek heel dicht tegen me aan. Heel dicht. zij had behoefte aan warmte, vriendschap en ook liefde…

Nu ik dit opschrijf, denk ik wel eens ” hield ik van haar”?  Ik vind dat moeilijk want wat is precies “houden van”? Dat gaat nog heel wat verder dan met enige regelmaat een wip maken op de vloerbedekking of in een onopgemaakt bed. Het maakt daarbij niet uit of je de gevulde condooms van de vorige keer nog terugvindt…met liefde heeft het allemaal niets te maken. Houden van, dat ging helemaal z’n eigen weg en had alleen nog betrekking op de relatie tussen mij en Jeltje. Ik wilde haar niet kwijt en niet zien vertrekken, ondanks alles, ze was van mij….ja, de gedachte alleen al maakt me warm tot op de dag van vandaag. Jeltje zit zo vergroeid in mij, als ze eruit wordt gehaald, ga ik dood…

En natuurlijk, het lag ook aan mij vooral. Ik was degene van ons drieën die het meeste buiten de deur kwam. Na een week moest ik ook weer aan het werk en dat viel net mee.  Veel collega’s dachten vooral dat ik leuk met vakantie was geweest. En dan gebeurde er iets geks: Ik zei dat het leuk was geweest en dat we ontzettend leuke dingen hadden gedaan.  Mijn collega’s gingen er ook heel enthousiast op in. Ik hield het vaag en ja…vaak insinueerde ik boeiende seksuele ervaringen. Dan vraagt haast niemand verder…hooguit worden er wat grove grappen gemaakt.

Vrolijk werd ik daar dan weer niet van maar ik was wel een tijdje de meest populaire jongen op de afdeling. Seks…en auto’s, dat is natuurlijk altijd het hoogtepunt van vermaak onder collega’s. Daarbij zorgde ik er dan wel weer voor dat ik me heel netjes aan de gangbare opvattingen hield. Dus gewoon, niks overspel, niks buitenechtelijk geneuk…gewoon met je eigen vrouw van alles. En dat terwijl van binnen alles in je jankt en gilt ” was het maar waar, kon dat maar!”  Die wanhoop zal ik nooit vergeten….

Nee, ik hield ook van Froukje, ik denk het wel…ja, echt houden van. Ze was lief, zorgde goed voor me, gaf zichzelf met overtuiging aan me, ze zoende beter dan Jeltje, ja zeker. Die kunst had ze beter onder de knie maar….ze was niet zo met me vergroeid als Jeltje….ze was niet een eenheid met me geworden, ze was geen orgaan van me… En toch…ik had haar niet kunnen missen, ze bood me de troost die ik nodig had en de vrijpartij die ik bij mijn vrouw zo miste. En Jeltje wist het en ze vond het goed want ze was net zo gek op haar zusje als ik en ze hield van mij…ondanks alles hield ze van mij zoals ik van haar.

Na een tijdje begon het te slijten op het werk. Het lachen om grove grappen en het tumult over een korte, wilde vakantie was voorbij. Ik merkte dat mijn collega’s me zelfs een beetje begonnen te mijden. Dat verliep heel verraderlijk. Eerst waren er ene paar “per ongeluk”  vergeten vergaderingen, later vroegen ze of ik ergens wel bij wilde zijn op een toon alsof ze “nee hoor”  als antwoord verwachtten. Kort daarop kwamen ze ook minder langs voor individuele gesprekjes.  Soms leek het ook wel of de stemmen stokten als ik op de gang langskwam. Nee, de sfeer werd er niet prettiger op.

Tot die dag dat Partner Willem mij  op het matje riep en begon te vragen waarom ik me zo afzonderde. Onmiddellijk begonnen mijn oren te gloeien omdat ik er een aanzet in zag om me te lozen. Het waren van die gemene , achterbakse vragen en opmerkingen. Of ik me wel kon vinden in het nieuwe beleid van het bureau en hoe ik dacht over mijn directe vrouwelijke collega’s. Het leek wel ene spellletje om mij erin te laten lopen, om te zorgen dat ik iets vrouwonvriendelijks zou zeggen ofzo. Ik was op mijn hoede maar mijn humeur werd daardoor niet beter. Integendeel, ik vroeg me af  waar Willem op uit was.

“Nou ja”, zei hij eindelijk, ” je hebt het er goed afgebracht. Je reacties zijn zoals ik verwacht had en eigenlijk nog een stukje beter en”,…hij boog zich voorover…” sluwer.” Eerder zou ik misschien een brede glimlach op mijn gezicht hebben getoverd maar deze keer brak er niet meer dan iets flauws door. Het leek Partner Willem niet op te vallen. ” We willen je voordragen voor een partnership”, zei hij glimlachend. ” Een junior partnership”.  En zelfs toen…voelde ik me opveren…even was er iets van vreugde in me ook al voelde mijn leven zo verschrikkelijk zwaar.

Levendig, dat was het wel. De twee zusjes fladderden om elkaar heen en hielpen elkaar met alles wat je maar bedenken kon en tussendoor was er natuurkijk gefluister. Gefluister om te zorgen dat de heer des huizes maar vooral niets horen zou. Een zieke situatie. Eén van ons zou nu toch eens een keer een eind moeten maken aan dit idiote spel?

Het was achterin een woensdagmiddag toen Jeltje bekendmaakte dat ze nog even een boodschap moest doen en dat ze zoooo terug zou komen. Zo zei ze dat: “Zooooo”……  Ik had niet het idee dat het echt iets betekende en zuchtte alleen ene beetje in de hoop dat er gewoon van buitenaf iets zou gebeuren dat alles veranderde.

Het bleef een half uurtje doodstil in de kamer en ik kreeg net het idee dat Jeltje zo wel terug zou komen toen Froukje heel dicht bij me kwam zitten en eerst ene paar onverstaanbare woorden uitstootte. Ik kon er niets aan doen maar moest gewoon weg vragen wat er aan de hand was. ” Ik ben HIV besmet”, zei ze deze keer iets gearticuleerder. Ik keek haar ongelovig aan maar kon niet nalaten te vragen: ” Durf je daarom zo dicht bij me te zitten?” Froukje grijnsde. ” Ik denk het wel”, zei ze. ” Ik heb gehoord dat jij het ook bent. Wete je, ik heb ongeloooflijke zin in een neukpartij met je maar dat zou ik niet durven als ik nergens last van had.” Hte klamme zweet brak me uit…ja, het was natuurlijk een nieuwe manier van kijken naar de vrijerijen…alleen nog met iemand anders die ook HIV-besmet was….  ” Volges mij is Jeltje ook HIV besmet…”   zei ik hakkelend. Froukje keek me met grote ogen aan. ” Ze heeft AIDS”, fluisterde ze terwijl haar lippen de mijne zochten.

Het was de eerste keer sinds ik Jeltje kende dat ik het deed met een andere vrouw. Nooit eerder had ik het zelfs maar geprobeerd. O ja, wel eens gewild maar nooit iets geprobeerd zelfs maar. Terwijl ik me tevredenstelde met de ongekend harmonieuze golfbeweging die ik met Froukje beleefde, bleef het woord “AIDS”  achterin mijn hoofd hangen. Het stoorde niet en ik vrijdde met Froukje eigenlijk beter en leuker dan met Jeltje maar het woord verdween ook niet naar de achtergrond. Het woord miste zijn uitwerking niet want ik realiseerde me dat ik er altijd nog beter aan toe was dan mijn vrouw.

Toen we lagen uit te hijgen, was Jeltje nog steeds niet thuis. “Ze blijft expres wat langer weg”, lachte Froukje. ” Ze doet het voor jou.”  Ik knikte met een verdrietig gezicht. ” Jaja, dat zal wel…ze doet alles voor mij. Is ook voor mij vreemd gegaan…”  Froukje nam eem stevige hap in mijn lid en gronde. ” In zekere zin wel, het was niet meer dan een ingeving, een moment, een moment van onnadenkendheid…en dat werd meteen bestraft.” ” Maar waarom deed ze dan net alsof ik de oorzaak van de ellende was?”  Froukje schudde haar hoofd. ” Zullen we het even niet over Jeltje hebben? Hebben wij het niet heel goed?” vroeg ze en opnieuw deed ze een anaval op mijn middengebied.

Die middag deden we het vier keer achter elkaar totdat we totaal uitgeput waren en niets anders meer konden dan uitgestrekt op de laminaatvloer liggen. Jeltje was nog steeds niet thuis en ze zou vermoedelijk ook nog lang wegblijven. Ik durfde niet opnieuw over mijn vrouw te beginnen en friemelde nu gezellig met Froukjes haar, beet in haar schouder en streelde haar tepels…van tijd tot tijd giechelde ze maar meestal lag ze doodstil met haar ogen dicht. Ze hikte een enkele keer maar dan zei ze geen “hik”  maar “hiv”. Eerst dacht ik dat ze opd ie manier ene gesprek wilde beginnen maar dat was het niet. ” Ik heb het me aangewned”, zei ze halflachend, ” sinds ik hiv heb. Niet leuk maar wat moet je? Hele dagen treuren, dat kan ik niet. Dat deed mijn vader altijd en vooral mijn moeder. Wat hebebn die veel getreurd.”

Ik grijnsde. Treuren! Nee, dat zat bij mij ook niet erg in de aard al kon ik wel heel diep verdrietig zijn maar dat duurde altijd maar even. Het was gek…we staarden allebei zielsgelukkig naar het plafond en zo bleven we liggen. Hoelang we daar gelegen hebben, weet ik niet meer maar het was al lang donker toen ik wakker werd. Froukje lag nog steeds op dezelfde manier naast me en sliep. Ik vroeg me meteen af of Jeltje al thuisgekomen was en ons zo had aangetroffen maar de moed om naar boven te gaan en in de slaapkamer te kijken, die had ik niet. Ik had in elk geval door dat Jeltje ons geen van beiden met ene mes of ander wapen had bewerkt…

Langzaamaan begon ik me aan te kleden toen ineens ene stem vanuit het duster zei:” Nee, dat hoeft toch niet meer. We kunnen nu toch gewoon naar bed gaan om te slapen?”  Het was Jeltje die klaarblijkelijk aan ons hoofdeinde had zitten wachten. Ik hoorde hoe ze een stoel opzij schoof en opstond. ” Kom”,z ei ze. ” ik neem aan dat Froukje je allang heeft verteld hoe het met mij zit.”  Ze gaf me een hand en troonde mij mee naarboven. ” We gaan naar bed…

Ik liet me die avond volledig willoos meesleuren naar boven en bedacht me of je zelf ook AIDS had als je had gevreeën met ene vrouw die AIDS had. Of bleef het gewoon bij de HIV aandoening? Eigenlijk kon het me niets meer schelen….

 

Nooit eerder was het huis zo leeg geweest als die ochtend. Zeker,z e stond in de keuken te drinken uit een pak sinaasappelsap maar de lieve ogen, haar naar mij toe gekeerde gezicht, haar strelende armen, haar verlangen naar mij…het was allemaal weg. Ik voelde me kapot en moe en hoewel ik de laatste jaren als een gek had gewerkt, kwam er nu niets uit mijn handen. Ik kon mij er zelf niet toe krijgen om naar mijn werk te gaan. Het was alsof mijn benen niet meer konden bewegen, alsof ze verlamd waren.

Omdat ik ook honger had, ging ook ik naar de keuken maar er veranderde niets. Jeltje keek niet naar me en lette niet op me totdat ze plotseling het uitkrijste. ” Als jij niet altijd met die vreemde vrouwen aan de scharrel was geweest, als jij niet altijd alleen maar aan het werken was geweest, dan had alles nog geklopt. Godverdomme, je lijkt mijn vader wel, die man die nooit thuis was maar altijd op pad tussen vriendin en bureau…”  Ze haakte met twee handen aan de rand van de aanrecht en hing voorover en huilde op ene manier die het meest deed denken aan het gegil van een varken dat ter slacht ging. Mijn hart bonkte intussen zwaar in mijn keel die al op slot zat door alle woorden die ik niet kon uitbrengen. Het leek of mijn hoofd op springen stond. Ik wilde wat zeggen maar toen was ze weg…twee deuren denderden dicht en weg was ze…godmagweten waar naar toe. Later vond ik haar terug, in elkaar gekrompen met haar rug tegen de badkamerdeur.

Nadat ik twee keer voor niets naar boven was gelopen, besloot ik toch maar “gewoon”  aan het werk te doen, nog net voordat ik de laatste kans had gehad om af te bellen. Maar mijn God, wat een drama, wat een dreun…ik merkte met elke stap hoe ik volslagen van mijn spoor af was. Het kostte me daadwerkelijk moeite om de weg naar het kantoor te vinden en reed anderhalf blok om voordat ik merkte dat ik verkeerd zat. De grote architect van het bureau zag mij binnenkomen en wilde me ,. geloof ik, goeiemorgen wensen maar toen hij mijn gezicht zag, slijkte ghij die woorden maar in. Er was de hele ochtend niemand die iets tegen me zei en ik moet zeggen: dat beviel prima.

Aan het einde van de ochtend kwam de vraag of ik naar huis zou gaan. Dat trok me wel aan want er zou niemand zijn en…op het werk blijven zou mij verplichten tot gesprekken met anderen. Ik trok dus mijn jas aan toen Michael, mijn beste vriend op kantoor, me aansprak. ” Waar ga jij heen? Je blijft toch altijd hier, tussen de middag?”  Ik keek hem wazig aan en iets in zijn ogen gaf me een schok. Zo zou de man waarmee Jeltje het gedaan had, er dus uit kunnen zien. ” “Ik moet even weg”. mompelde ik. “Zie je zo weer.” Waar ik heen ben geweest? Ik kan het niet eens meer vertellen, misschien wel naar de cafetaria om de hoek, om me vol te proppen met kroketten enzo…geen idee. Het zou best kunnen want ik kwam kotsmisselijk op mijn werk terug. Daar zag ik Michael weer en opnieuw probeerde hij me aan ta spreken maar ik maakte duidelijk dat ik geen tijd had.

Toen de avond naderde zwoegde ik me naar huis en daar was niemand. Ik vroeg me af waar Jeltje was maar aan de andere kant, een leeg huis was beter dan een gestorven liefde. Het was niet alleen mijn lieve vrouw die ik kwijt was. Het was ook de mislukking van de vlucht uit het afschuwelijke dorp Deurne. Het leek alsof we het allemaal voor niets hadden gedaan. Het samenspannen, het weglopen en leven van de lucht in het begin  en toen het opbouwen van een eigen leventje.

Het waren precies die zinnen waarmee Jeltje de kamer binnenkwam, willekeurig gemengd met verwijten in mijn richting… En ineens wist ik het zeker, zo ging het niet langer…we moesten zeker weten waar de ziekte vandaan kwam, wat de bron was. Leven in deze sfeer van verdachtmakingen, nee, dat ging niet meer….

Ik heb nooit geweten dat je hersens verdoofd konden worden maar het kan. De klap kwam harder aan dan ik verwacht had…gewoon op zo’n doordeweekse dag, ochtend eigenlijk, in de wetenschap dat er nog mensen in de wachtkamer zitten. Ik zat daar maar op die stoel, te staren naar het papier waarop de uitslag was weergegeven. HIV!

Welke gedachte er door mijn hoofd ging als eerste? Ik weet het echt niet meer, geen denken aan. Volgens mij was het gewoon: “Dus toch”  maar dat was geen acceptatie ofzo, het was een soort opvangen van de schrik. Een schokbreker in mijn hoofd. Het hielp natuurlijk niets en ik zat voor mijn gevoel wel ene uur met geboden hoofd aan het bureau van de dokter. Ik hoorde zijn stem ergens in de verte zeggen: ” We moeten nu kijken hoe we de gevolgen in de hand kunnen houden.”

De gevolgen? Ik wilde daar niet eens over denken. De gevolgen. Waren er gevolgen? Ik wist alleen dat ik daar zat aan dat bureau met het bericht dat ik HIV had en dat ik dus gewoon een dreun voor mijn kop had gekregen. Daar zaten geen gevolgen bij..of het gevolg moest zijn dat ik geen woord meer kon denken, laat staan uitbrengen.

De dokter keek mij onderzoekend aan zonder iets te zeggen maar ik begreep dat het niet lang kon duren op die manier. Voor hem was er meer te doen, voor mij niets…nee, waarom zou ik nog iets doen? Ik kon me hier laten wegdragen of naar huis laten brengen en dan nog…er zou niets veranderen. Er hing een ijzige stilte in de spreekkamer en ik was niet in staat die te doorbreken. Ik voelde hoe een handvol woorden zich opzamelde achter mijn tong en tanden en geen weg naar buiten kon vinden omdat daarvoor nu eenmaal een bepaalde volg-orde nodig is. Die was er niet. Mijn woorden waren in paniek, niet ik …mijn woorden wel.

“Voorlopig geef ik u dit mee”, zei de dokter langzaam en hij legde een briefje over, ik vermoed dat er een recept op stond en misschien wel een praatgroep. ” Er is heel veel te verhelpen aan de situatie”, ging hij verder. “Het is zelfs mogelijk dat het virus niet tot uitbarsting komt en dat u er nooit last van zult hebben of pas heel laat. Het is goed om de ontwikkelingen te blijven peilen en…om te kijken of u bepaalde ziektekiemen onder de leden heeft.”

Ik walgde, ik walgde dubbel, van de dokter en van de briefjes en van de spreekkamer en van alles. Plotseling sprong ik overeind, griste de briefjes van het bureau, propte ze in mijn zak en rende de kamer uit. ” Ik heb aids”, schreeuwde ik op de gang en keihard in de wachtkamer. ” Ik heb aids mensen, eindelijk is het zover. Gerechtigheid, zegt hij…”  en ik wees in de richting van de spreekkamer. Ik nam de moeite niet om te wachten op de reacties van de andere patiënten en rende de deur uit en jubelde: ” Ik heb aids, ik heb aids, God heeft me uitverkoren.”

Meteen daarop sprong ik op mijn fiets en ik reed fluitend naar huis. Nog nooit eerder had ik zo hard gefloten op straat…iets van Santana of nee…Too much love can kill you, van Queen geloof ik, ja van Queen…” Gek hè, zou het toevallig zijn dat die song op dat moment mijn mond uitkwam. Maar wel fluitend hè, want de woorden stonden nog steeds in de verkeerde volgorde.” Ik kwakte mijn fiets met een haast perfecte boog tussen de andere rommel in de schuur,sloeg de deur dicht  en stapte met grote passen naar binnen. ” Schat, ik heb HIV”, riep ik zo hard mogelijk….  Er kwam niet direct antwoord maar het duurde niet lang of ik hoorde gestommel op de trap en de kamerdeur vloog even later wagenwijd open. Ik herhaalde mijn zin in hetzelfde volume en ik zag hoe Jeltjes mond openviel, hoe zij duizelde. Ik voelde de neiging in me opkomen om haar op te vangen en…ik deed het ook. Ze viel voorover in mijn armen, sloeg haar armen om mijn nek en barstte uit in snikken. Maar toen gebeurde er iets geks. Ze worstelde zich los en keek mij verwijtend aan. ” Hoe kun je zo stom zijn geweest?”  vroeg ze. Haar laatste tranen werkte ze weg met een simpele handbeweging. ” Hoe kon je zo stom zijn” herhaalde ze en het verbaasde me nog dat ze nie stampvoette.

Nog nooit eerder had ik het gevoel gehad tegen een vreemde te praten en naar een vreemde te kijken maar nu veranderde Jeltje voor mij in iemand die ik niet kende. Opnieuw haperden mijn woorden maar dit keer niet omdat ze paniekerig voor mijn tanden hokten. Nee, ze werden tegengehouden door woede want één ding wist ik zeker: IK was niet de bron van de ziekte in huis. Maar ja, hoe zou ik dat duidelijk kunnen maken? Natuurlijk, er waren technieken voor en natuurlijk, als er één was die het wist, dan was het Jeltje maar voor al die overpeinzingen en gedachten had ik nu geen tijd. ” Ik ga op de zolderkamer slapen”, zei ze briesend en met grote stappen liep ze de trap op, mij achterlatend met het gevoel van leegte en ijzige kou diep in me…

.

De dokter

Een goeie baan, nou ja, wat geld betreft dan hè…ik moest zo’n twaalf uur per dag werken en dat legde ons dan weer geen windeieren. In het begin was het nog leuk en kwam ik ’s avonds met een lachend gezicht en kusjes thuis en zoende ik de kinderen of nam ze op schoot. Papa was niet alleen maar de man die ’s zondags het vlees sneed, ik was ook de beste vriend van de kindereren, tot het genoegen van Jeltje.

En toch…we zagen elkaar wat minder, ook in bed. Na een werkdag was ik afgetobd en kwam ik niet aan het ontspannen toe dat in het verleden tot zoveel mooie momenten had geleid. Eerlijk gezegd, ik had er ook niet zoveel zin meer in. Ik begon in Jeltje steeds meer de moeder van mijn kinderen te zien en steeds minder een vrouw om gek op te worden, een vrouw die kriebels en tintelingen veroorzaakte of zelfs een gewone prooi voor mijn man-zijn. Aan de andere kant leverde het nauwelijks problemen op want ik had het idee dat het moederschap haar ook zwaarder viel dan ze had gedacht. ” Elke dag kom ik uren tekort”, zei ze en veel verder kwam ze dan niet omdat ik de energie niet kon opbrengen om naar de achtergronden van haar verhaal te luisteren. Een enkele keer liet ze wat doorschemeren. ” Wat ben je vroeg”, zei ze op een middag, toen ik inderdaad wat vroeger thuiskwam. Het klonk bijna teleurgesteld. Met tuitlipjes bergde ze haar teken- en schilderspullen op. Niet dat het nodig was geweest want een kwartier later lag ik in mijn draaistoel te knorren. Haast zuchtend haalde ze haar hobby weer tevoorschijn. Het zal een twee uur later zijn geweest toen ze me wakker maakte met de opmerking “het eten is klaar”  en een zoen. Haar teken- en schilderspullen waren toen al weer opgeborgen omdat we de tafel nodig hadden voor het eten en…ik had dus niets van haar werk gezien.

Later begreep ik haar opmerkingen over de beperkte tijd die ik voor haar had. ” Kom eens bij me zitten”,  “Luister eens”, “Wat moeten we met…”, “Doe eens rustiger aan…” en zo ging het maar door maar ik hoorde de onderliggende boodschap natuurlijk niet: “Geef mij eens wat meer aandacht.” Nee, ik klopte mijzelf op de borst en vond mijzelf een kampioen in het onderhouden van een gezin. Van tijd tot tijd gingen we met vakantie naar een binnenlandse bestemming omdat de kinderen nog zo klein waren. “Het is altijd leuk voor ze als er een zwembad in de buurt is”, zei Jeltje vaak en ik knikte braaf omdat ik aan de rand van het zwembad via mijn laptop mijn werk verder kon beheren.

Van vrijen kwam het zelfs in de vakantie niet meer omdat het doodeenvoudig niet meer in de cultuur zat, de cultuur van alledag.We keken tv zoals de meesten, maakten wandelingen en sliepen aan de rand van het zwembad en we dachten, we wilden geloven, dat we gelukkig waren. Alleen al de herinnering aan de verschrikkelijke jaren in Deurne, waren daarvoor voldoende.

We waren dolgelukkig en in elk geval leek het daarop. De rotzooi om ons heen kon ons niets schelen en we sprongen elke keer met de hakken over de sloot als het om proeven en tentamens ging. Ik vrraag me nu wel eens af wat we meer deden: vrijen of werken…natuurlijk we werkten elke dag, behalve vrijdags, allebei. We hadden allebei een baantje in de horeca dat bestond uit friet bakken en pils uitdelen. Grotendeels deden we dat nog zwart ook, wat toen veel gemakkelijker was dan nu. En met veel plezier streken we de fooien op. Zo lukte het ons om de week en de maand en de jaren door te komen.

Poes Herman was de enige die onze vrijpartijen aanschouwde. Volgens mij begreep hij heel goed wat we aan het doen waren want als ik opkeek, zag ik hem altijd knipogen en dan met een onverschillig gezicht de andere kant uitkijken. Hij was een echte rooie kater die soms ook aan onze spelletjes probeerde mee te doen maar na kortere of langere tijd kon hij het toch niet goed bijhouden. Dan trok hij zich min of meer beledigd terug omdat we meer aandacht gaven aan elkaar dan aan hem.

Herman scheen zich er trouwens weinig om te bekommeren dat onze eerste kamer maar zo weinig ruimte bood. Hij deed nooit een poging om de kamer uit te komen en nam genoegen met ons gezelschap.  Zodra we binnen waren, kroop hij bij één van ons op schoot, misschien gemiddeld iets meer bij mij dan bij Jeltje maar daar letten we natuurlijk niet op. We letten eigenlijk nergens op en dat was het leuke…nou ja…tot op de dag dat Jeltje mij vertelde dat ze niet meer in haar eentje was.

We krabden ons achter de oren. ” Ik zal wel meer gaan eten”, grinnikte ze zenuwachtig voordat ze het nieuws vertelde over de nieuwe aanwinst. Nadat ze ze haar “bekentenis”  had gedaan, zaten we een half uurtje zwijgend voor ons uit te kijken. Ieder met heel eigen gedachten en bedenkend waar het misgegaan kon zijn. Wisten we ons nog te herinneren wanneer Jeltje de pil was vergeten? Er brak geen herinnering door. Na het halve uur stortten we ons in elkaars armen en het leek erop alsof we nooit meer los zouden laten. Nooit eerder waren we zo in elkaar versmolten al herhaalden zich alle traditionele handelingen en bewegingen want ja, dat kleine vruchtje in haar buik kon nu nog niet knel zitten in onze onstuimigheid. Dat zou pas later komen. We wisten dat we het nu moesten beleven en…natuurlijk….het was voordat Jeltje de pil had genomen maar wie bekommerde zich daar nu nog om? Het was allemaal zo gevaarloos als het nooit meer zou worden, dachten we…

Je kon dus niet zeggen dat Jeroen later een gewenst kind was…nee…hij was doodeenvoudig vol lust en begeerte naar binnen gesleurd. “Gewenst”  klonk in dat verband veel te lullig. Jeroen…we wisten de naam van meet af aan, werd de vleesgeworden liefde die tussen ons opbloeide en niet alleen de liefde maar ook de doodgewone lustgevoelens. We hebben het hem nooit verteld en achteraf ben ik dat gaan betreuren maar ja….

De wijn verdween de maanden daarna uit het rek. Jeltje had zich helemaal bekeerd tot de sinaasappelsap en dan nog het liefst zonder suiker. ” Dik worden doe ik nu toch wel”, zei ze elke keer lachend. Uit pure loyaliteit ging ik aan de druivensap, die zonder alcohol. Een enkele keer probeerden we een fles alcoholvrije wijn maar dat misselijke goedje werd ons al gauw teveel. Dan toch maar weer gewoon aan het vruchtensap. We zwoeren teveel zout af en bestudeerden de achterkant van pakketten met voeding totdat we erbij neervielen, alleen om te zien of er geen verkeerde stoffen voor Jeroen in zaten. Soms legde ik mijn oor tegen Jeltjes buik en dan hoorde ik hem roepen: ” ik lust geen liga.” Dan was dat voor ons voldoende aanwijzing om ermee te stoppen…

We beseften intussen dat onze woonruimte voor ons tweeën. Jeroen en Herman wel wat erg krap zou worden en dus gingen we opzoek naar iets nieuws en dus ook iets duurders…kinderen kosten geld…

De integrale tekst van begin tot eind (voor zover klaar) kunt u lezen op Komt een man bij de dokter

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo sp[aarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broere, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, el;ke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren.

 

 

 

 

Blog Stats

  • 10.303 hits

RSS my home

  • Er is een fout opgetreden. De feed is waarschijnlijk uit de lucht. Probeer later opnieuw.
Advertenties