You are currently browsing the category archive for the ‘Denken over de dood’ category.

“Ja schat, ik weet het maar ik kan nu echt even niet weg. Ik heb hier een centrale taak. Ze zitten hier in een crisis en ik moet die helpen oplossen. Ik doe het voor mijn zusje.”  Even zweeg Froukje aan de telefoon maar het rood in haar gezicht werd weer steeds feller. ” Ja, die ja, dat is mijn zusje, die andere dochter van mijn ouders, die meid die jij nog mooier vond dan mij…”>  Weer valt er ene stilte en weer loopt het rood op.” Nou ja, dat heb je wel een keer gezegd. Stom eigenlijk van je, hè? ” Hetw erd mij steeds duidelijker dat Froukje en haar man, die godbetert Berthold heette, ook in een soort Crisis verkeerden. Ik krabde mij eens achter de oren om te bedenken hoe een vrouw als Froukje in ’s hemelsnaam had kunnen  trouwen met ene Berthold van der Veenmeren…pfff

Ik merkte dat ik voor het eerst sinds tijden mijn hoofd weer kon schudden over iemand anders dan over mijn eigen gezin. Voor mijn gevoel kon die crisis bij mijn zwager en schoonzus nog een veel ernstiger vorm aannemen dan die bij Jeltje en mij. Diep in me voelde ik nog steeds liefde voor mijn vrouw, ja zelfs respect. Hoe het mogelijk was, was een andere vraag want ze had me toch lelijk te grazen genomen. Maar toch…mijn gevoel, ja mijn gevoel leek zo nu en dan wel een eigen leven te leiden. Intussen had ik besloten om gewoon te blijven zitten waar ik zat en met een soort onverschillige houding  te veinzen dat ik niet meeluisterde. Dat was overigens vrijwel onmogelijk want Froukje ging van tijd tot tijd ernstiger te keer dan onze kat als je probeerde een boomtak tussen haar achterpoten vandaan te rukken.

“Nou ja”, haar stem leek nu een beetje op een schorre kermistoeter, “je lost dat geouwehoer maar op, je bent toch altijd zo’n handige, intelligente jongen en goeie vader? Dan heb je deze wat dommige blondine vast niet nodig.” Ik keek even op en zag dat ze gelijk had, ze was blond. Dat was me eerder nog niet zo opgevallen.

Het was wel opvallend hoe stil en zwijgzaam Jeltje het allemaal aanhoorde en ineens drong het tot me door. “Wat maken die twee een ruzie hè?”  zei ik tegen  haar. Ze keek me heel even van achter één van haar prachtige lokken aan. ” Ik ben te moe, veel te moe en alles doet zeer”, zei ze.  Waren dat niet de eerste klachten van een patiënt met AIDS? Ik kon niet voorkomen dat ik een bezorgde blik op haar wierp. Zoals ze er nu bij zat…ik had zo’n verschrikkelijk medelijden met haar, waarom kon je zo wanstaltig veel van iemand houden? Het was toch onlogisch? “Ik ga naar bed”, zei ze zachtjes en met schorre stem. ” Ik houd dit niet vol.”

Ze deed geen lamp uit maar toch leek het of het ineens een stuk donkerder in de kamer was toen ze eenmaal was opgestaan en de deur uit was. Ik keek haar wanhopig na, dat kon ik niet in de spiegel zien maar ik voelde het aan mijn gezicht. Mijn ogen dwaalden even later weer in de richting van Froukje maar die stond op en liep achter haar zusje aan. Ik voelde dat ik me daarin maar even niet moest mengen. Twee zusjes die samen verdriet gingen zitten hebben op de rand van eenbed ofzo….

Mijn  ogen dwaalden de kamer rond. Aan de muur recht tegenover mij stond een grote boekenkast en ik las de titels op de banden. In het verleden had ik de meeste ervan verslonden. Boeken daagden mij altijd uit om zo snel mogelijk door te wurmen. Nu deden ze me niets. Ik had het gevoel dat ik zelf de hoofdpersoon was in een verschrikkelijk en ellendig boek. Ik verweet mezelf zelfs dat ik ooit naar de dokter was gegaan voor die stomme vlekken op mijn voorhoofd. Die waren inmiddels weg trouwens…

Het duurde niet eens zo lang…Froukje kwam de kamer weer binnen maar haar humeur was waarschijnlijk niet opgeknapt. Ze keek nog steeds vooral naar de grond. ” Heb je honger?”  vroeg ze.  Ik bedacht me ineens dat ik de hele avond nog niets had gegeten maar honger, nee, dat voelde ik niet. Ik had niet eens trek in whisky…ik had nergens trek in. Froukje trok voor zichzelf een doos met pizza uit de vriezer en legde die in de oven. “Het gaat nu echt heel slecht met haar”, bromde ze tussen de piepgeluiden van de oven door. Ik wist niets te zeggen als antwoord.We zwegen allebei.

In stilte kropen we naar elkaar toe. Dat ging vanzelf…alsof er een externe kracht was die ons gewoon naar elkaar toe schoof en sensualiteit zat daar niet bij, nee, alleen beweging naar elkaar toe. Het duurde zelfs nog een half uur voordat we tegen elkaar aanzaten en zo zijn we die avond in slaap gevallen. Ik geloof dat het pas drie uur ’s morgens was, toen ik vreselijk moest plassen, dat ik me met moeite uit haar armen losmaakte… Zij voelde zo wam aan, in dit ijskoude huis…

70_edited.jpg

Kortgeleden zat ik na te denken over de dood. Dat heb ik wel vaker. Niet dat ik dan in een depressieve bui ben of zo, helemaal niet juist. Denken over de dood doe ik als ik in een opperbeste bui ben. Anders moet je het niet doen. In een depressieve bui zou je haast zelfmoord plegen als je daaraan denkt. 

Maar goed, ik dacht over de dood na en zag mijzelf in een kist verdwijnen onder de grond. Toen schoot het door mij heen. Stel je nu eens voor dat je zelf niet door hebt dat je dood bent. Denk je eens in dat alleen anderen je dood vinden maar dat je jezelf bijvoorbeeld nog nooit zo fit hebt gevoeld. Je komt uitgerust op je werk en je merkt dat je stoel en bureau weg zijn gehaald. Je baan is met jouw verdwijnen wegbezuinigd. Je komt in het bedrijfsrestaurant en géén van je collega’s zegt iets tegen je. Ze zien je letterlijk niet staan.

Dat heeft dan ook wel weer voordelen want je kunt zo maar allerlei lekkernijen uit de schappen pakken zonderdat iemand het door heeft. Hooguit zal de overwerkte horecaman of -vrouw klagen dat de voorraden zo snel weg zijn en…dat de kas niet klopt. Niet dat je jezelf volpropt want je denkt wel degelijk aan het gevaar van overgewicht. Je weet immers niet dat je dood bent al begint je langzamerhand wel iets te dagen.

Er is namelijk geen enkele reden waarom je collega’s niets zeggen en waarom je vrouw en kinderen zo bedroefd bij elkaar zitten of juist doodleuk feestvieren. Langzaamaan krijg je het doodsbenauwd en ga je denken “ik wilde dat ik dood was”. En pas op dat moment dringt het definitief tot je door.

Nee, het lijkt me niets om opgeborgen te zijn in een kist terwijl je ontzettende trek krijgt in een harde mokka of een verse vlaai of een kroket. Geen bakker in de buurt alleen allerlei ongedierte dat zich naarbinnen wormt en een wat vochtige plantengeur. Het maakt me doodsbenauwd.

Tot ademens,

 Kaj Elhorst

 www.sairaramira.wordpress.com

 

Service

www.skepsis.nl/bde.html

www.bijna-doodervaringen.nl

www.katinkahesselink.net/theosofie_nl/bijnadood.html