Het onderstaande verhaal  heb ik in 1999 opgetekend uit de mond van Peter Hollinger die woonde nabij Rosenheim, Beieren, in een boshuis. Hij was toen 34. Pas nu kan ik het publiceren, aan het eind van het verhaal zal blijken waarom.

Is het ochtend? Het schemert…of juist niet. Het kan ook avond zijn. Mijn herinneringen laten me in de steek, of liever, ik weet niet meer dat herinneringen bestaan, dat ze ooit hebben bestaan.

De kamer om mij heen is schemerig, hoe langer ik hier ben, weet ik zeker dat het schemerig is. Ergens vandaan komt daglicht maar ik kan het niet zien want een half-duister scherm verbergt het licht voor het grootste deel voor mij. Is het daglicht? Wat ik doe, lijkt op peinzen maar na een tijdje weet ik dat het kijken en reageren is. De vrouw naast mij ken ik niet. Ze ligt met half geloken ogen en een flauwe glimlach naar me te staren en zo nu en dan glijden haar handen over me heen. Vreemd, want het is niet de vrouw waarvan ik houd. Deze vrouw zegt me niets en ik zou eigenlijk willen dat ze ophield met het strelen. Niet omdat het vervelend is maar omdat ik het niet wil. Ik wil niet dat ze me aanraakt. Ik schreeuw en de glimlach op het gezicht van de donkerharige vrouw wordt groter. Is ze hier om mij te kwellen? Opnieuw schreeuw ik en deze keer komt ook een man de kamer binnen. Een donkere man met een donker gezicht en vreemde, fel gekleurde kleding. Het zijn meer lappen in allerlei kleuren. Mijn vader is het zeker niet en ik herken er ook geen vriend of familie in.

Plotseling wordt mijn blik getrokken door een beweging aan de andere kant. Het duistere scherm dat het licht uit de kamer weghield, is verdwenen. Er beweegt een vrouw, een andere vrouw met rood haar. Haar gezicht wordt steeds scherper en duidelijker. Haar heb ik eerder gezien. Ik kan niet anders dan lachen bij het zien van haar mooie gezicht, haar dikke, volle rode krullen, haar sensuele lippen en haar fel groene ogen. Wat is ze mooi!

Ze was altijd al mooi. Ik weet het nu, haar heb ik eerder gezien. Toen, ergens hield ik van haar. Maar zij niet van mij of juist wel? Bij die gedachte voel ik een zwart gat in mijn hoofd. Een bonk en een zwart gat. Ik strek mijn hand uit naar de roodharige vrouw maar het lijkt alsof zij steeds verder van mij wegdrijft, naar mate ik mijn hand uitstrek, drijft ze verder weg. Ik zie nu ook dat ze huilt. Waarom huilt deze mooie vrouw?

“Niet huilen klinkt nu een zachte, vriendelijke stem aan de andere kant. Het is de donkerharige vrouw, nee de vrouw is helemaal donker, net als de man die net in de kamer was. Ze trekt zich tegen me aan. “Je moet ook naar mij kijken, hier is mama, niet daar.” Ze wijst in de richting waar de roodharige vrouw zich net nog liet zien. Nu niet meer. Nee, dat was mama niet, natuurlijk niet. Maar waar is mijn moeder dan wel? Mijn moeder? Mijn moeder is aan kanker overleden, flitst het door mijn hoofd. Overleden toen ik die roodharige vrouw nog maar net kende. Ja, ik weet het weer, er bestaan herinneringen.

(dag 1)

Het was een prachtige dag, een stralend blauwe hemel maar niet warm. Een dag om te vliegen. Ik had mijn vliegbrevet  en ging er geregeld een dag op uit, met of zonder vrienden. Vliegen was voor mij het ultieme alternatief voor het leven op aarde. Alles ziet er anders uit als je het van boven bekijkt en de afstand heb je meteen al geschapen. Je bent onbereikbaar, behalve voor de mannen en vrouwen die je via de radio proberen te bereiken.

Ik weet het nog goed. Van boven keek ik de op de prachtige bergweiden van de Alpen en soms zag ik in de verte de besneeuwde toppen, zoals de Kitzsteinhorn. Daartussendoor zag ik hoe het leven zich afspeelde met auto’s, treinen en zelfs wandelaars op hooggelegen bergpaden kon ik bekijken zonder dat ze het door hadden.

Plotseling was er het beel van Anita, de vrouw met het rode haar. Die schoonheid die ik nog nergens, niet in winkels, fabrieken of natuur had ontdekt. Die grenzenloze herkenning van alles wat mooi was, dat was wat mij trok. Terwijl zich voor mij de hellingen van een berg begonnen af te tekenen, nam de berg de vormen aan van Rosa, de enige plaats waar ik liever wilde zijn dan in mijn vliegtuig.

Het was alsof alles asgrauw werd want de herinnering van mijn vliegtocht stond mij voor de geest in felle, opwindende kleuren maar plotseling was daar weer die vreemde vrouw met haar zwarte haar en grijze jurk. Ze maakte geluidjes naar mij zoals moeders die met hun baby proberen te communiceren. Onzeker keek ik naar mijn voeten, benen, buik en armen en ik zag toch echt het lichaam van een volwassene. Wat wilde toch die vrouw? Geen seksualiteit, geen erotiek. Tot mijn grote schrik begon ze lepeltjes babypap tussen mijn lippen te wurgen. Langzaamaan begon ik te twijfelen aan haar geestelijke vermogens en ik sproeide de pap door de kamer. Babypap, ik had honger, ja dat wel maar mijn maag vroeg meer om boeuf bourguignon dan om babypap. Weer kwam die lepel en deze keer haalde ik uit. De lepel vloog in volle vaart tegen de muur recht tegenover mij. Het behang, het schilderij en zelfs het plafond dropen van de pap.

Ik keek naar links en weer zag ik achter een soort kamerscherm van gaas Rosa! Zij huilde, dikke tranen vielen uit haar ogen op de krant die op haar schoot lag. Ik kon niet zien waarom zij huilde maar het deed me zo zeer en een onweerstaanbare huilbui kwam over me. Ik kon me niet herinneren zó gehuild te hebben sinds mijn heel jonge jaren.

De donkere vrouw kwam nu dichterbij, ze droogde mijn tranen en gaf me kusjes. Ze probeerde lief te zijn maar niet als een vrouw maar als een moeder. Het bracht me er bijna toe opnieuw te gaan huilen. Ik snikte maar besloot niet door te zetten. Misschien was het beter om naar Rosa te kijken.

De duisternis omhulde me volkomen op één klein lichtje verweg na. De vreemde vrouw met haar zwarte haar was weg maar ook Rosa zag ik niet meer. Het kamerscherm van gaas leek een ondoorzichtbaar zwart gat geworden te zijn.

(dag 2)

Recht voor me zie ik de bergwand en het is zelden dat een bergwand zo mooi, zo lieflijk, zo verlokkelijk is. Geen steen, geen graniet, geen grijze vlakten en kaalheid maar de liefde zelf die zich vermengt met haar geur, de geur die ik zo goed van haar ken. Die ik duizend-en-één keer had geroken en die hoort bij de ene na de andere teleurstelling, afwijzing na afwijzing. Deze keer is het anders. Ze wenkt me en nodigt me uit, nee dáágt me uit om dichterbij te komen. Ik weet dat het goed is, dat ze me bewondert voor mijn vliegkunst. De twijfel is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de zekerheid dat ze mij wil. Wat kan er mooier zijn?

Nooit eerder heeft het gesnor van de motor me zo goed in de oren geklonken. Het geluid van haar woorden die stuk voor stuk en zo duidelijk van haar lippe komen en in mijn oor fluisteren. Ik voel hoe jaloers anderen naar mij kijken en zich afvragen hoe een man als ik met zo’n mooie, begeerlijke vrouw intiem samen kan zijn. Ik zie ons samen verdwijnen uit het beeld van de anderen, met naijver nagekeken. En dan is er dat verpletterende gevoel van die kus, haar handen langs mijn hoofd, de kleine, ongezonde uitstulping op mijn achterhoofd die zij koestert maar waarvan de dokter had gezegd dat ze mijn einde kan betekenen. Het is haar liefde die dat voorzuitzicht doet verdwijnen alsof de bult zelf langzaamaan ineen zinkt. Haar liefde die mij met zich meevoert langs en door een toekomst die mij altijd onbereikbaar heeft geschenen. Muziek, vermengd met scheldwoorden van de naijverigen klinken me nog na maar ik weet dat zij mij niet meer kunnen deren. Haar liefde heeft mij voor goed tot in het oneindige opgeslokt en ik sluit tevreden mijn ogen. Ik ben gelukkiger dan ooit tevoren.

(dag 3)

Maar hoelang duurt geluk? Zolang je ogen gesloten zijn? Misschien wel. Helaas kan ik ze niet beletten weer open te gaan en ik bevind mij in een hel verlichte ruimte. Naast mij ligt een vrouw die mijn lief niet was maar die mij wel met een brede glimalch aankijkt. “Zij maaktpiep geluidskjes tegen me alsof ze niet spreken kon, blies wat bellen tussen haar lippen door en streelde met één hand over mijn hoofd. Onaangenaam was dat niet maar ik voel niet de liefde die ik voor Rosa heb gevoeld. Ik kan dan ook niets anders opbrengen dan een hartstochtelijk gekrijs, zo erg dat het zelfs mij pijn doet aan mijn oren. Erg vind ik dat niet want ik wil pijn lijden, nu mijn geliefde er niet meer is.

De vreemde vrouw doet alles om een einde aan mijn schreeuwen en huilen te maken maar ze is daarin niet bijzonder succesvol. Integendeel, met iedere aanraking begin ik harder te schreeuwen.  Ik wend mijn gezicht zelfs af.

Ik zie haar. Het lijkt alsof zij zich beweegt achter een dun laken. Niet alleen haar schaduwen en contouren zijn goed zichtbaar maar ook de fijne trekken van haar gezicht, haar slanke lichaam en haar rode haarbos, zo mooi en zo dik dat ik erin zou willen rusten.

Mijn huilen is spontaan over. Ik voel me opgewonden worden, een stroom van hevige en eindeloze moed dringt in mij binnen, de wens om aan de andere kant van het doek te zijn overmant mij. Het kan niet, er is geen doorgang, de scheiding blijft en ik zie hoe zij huilt. Ik weet niet waarom want ik kan haar zachtjes gemompelde woorden niet horen. Ergens, heel diep van binnen hoop ik dat ze om mij huilt. Misschien is het maar goed dat ik die woorden niet versta. Misschien hadden ze mij een nieuwe teleurstelling bezorgd.

Dag 4

Ik moet huilen, heel veel huilen. De vrouw die naast me ligt, lijkt zich daarover zorgen te maken maar dat kan me niet zoveel schelen. Ik kijk steeds maar weer naar de andere kant. Soms is er die half doorzichtige wand waarachter mijn lief zich bevindt en ja, ik voel en zie hoe zij aan mij denkt. Ik zie hoe haar lippen mijn naam mompelen, hoe zij naar mijn foto’s kijkt en hoe ze ze streelt.  Heeft zij dan toch van mij gehouden? En waarom heeft ze daarvan dan bij mijn leven nooit iets laten merken? Ben ik wel dood?

Eigenlijk is het moeilijk voorstelbaar. Ik kan niet dood zijn. Die vreemde vrouw die mij Chamid noemt, behandelt mij  als een baby. Ze wurmt me zacht, warme flesjes tussen de lippen met een drank die ik vies vind. En dan moet ik weer huilen. Soms ook ruimt ze mijn poep en pies op en dat vind ik dan wel weer prettig hoewel de warmte ervan tussen mijn benen ook wel lekker aanvoelt. Maar het geeft me een beschaamd gevoel tegenover de vrouw achter het scherm. Haar vormen, haar silhouet herken ik nog steeds…dat gaat niet weg…

Die vreemde vrouw die mij Chamnid noemt en me aanspreekt in een taal die ik niet herken. Ze merkt dat ik me tegen haar verzet en ze maakt zich er zorgen om maar begrijpt niet waar het aan ligt.  Nee, ik krijg geen slaag en dat is maar goed ook. Ik heb wel het lichaam en de kracht van een volwassen man maar ik kan tegen haar toch niet op.

Soms wil ik de strijd opgeven, dan stik ik haast. Niet in een gebrek aan lucht of liefde maar door de eenzaamheid die ik in mijn hele lichaam voel.

Dag 5.

De eenzaamheid wordt maar niet minder. De vrouw die mij Chamid noemt, heeft een vreemde manier om te zeggen dat ze van mij houdt maar prettig is het wel. Ik voel mij er wel bij, eigenlijk is het heerlijk in haar armen. Er is ook een man bij haar die weer van haar schijnt te houden en die mij zo nu en dan vertederd aankijkt en aanraakt. Daar ben ik niet zo gek op. Ik houd niet van mannen die mij op die manier aanraken.  Wat moet die man? Gek is dat, het silhouet van Rosa achter het scherm wordt vager. Ik wil dat niet, ik wil niet dat ze verdwijnt. Ik wil haar bij me houden want ik houd van haar en er bestaat een kans dat zij van mij gaat houden. Waarom blijft ze anders steeds in de buurt…? Zo nu en dan moet ik aan de tepel van die vrouw die mij Chamid noemt lurken..geen seks…ik krijg moedermelk binnen, in het begin vond ik dat vies maar nu begin ik eraan te wennen…

 

Dag 6

Er zijn momenten dat ik mezelf voorkom als een vreemde. Waarom klamp ik me zo aan de borsten van die vreemde vrouw waarvan ik de taal niet eens versta vast?  Diep in me groeit het gevoel dat zij de vrouw is die me kan helpen in deze hopeloze situatie. De vrouw achter het scherm wordt steeds minder goed zichtbaar terwijl ik toch weet wie zij is, mijn geliefde. Maar wat doet zij? Helpt zij mij? Voedt zij mij?  Nee, dat gebeurt door een vreemde. Zij ook neemt mij geregeld in haar armen en maakt me warm en dat is belangrijk want ik heb het in deze kamer behoorlijk koud.

Ik heb vandaag geprobeerd om op te staan en deze kamer te verlaten zodat ik naar mijn lief toe kan maar het lukte niet. Ik kom wel omhoog maar verder is er geen beginnen aan. Ik kan met mijn benen  de grond niet raken en als ik probeer te staan, zak ik door mijn benen en zit ik weer op mijn dikke billen. Die vreemde vrouw moet daar wel om lachen maar ze is ook geschrokken, ze behandelt me echt als een baby…  Die man die bij haar hoort trekt rare gezichten naar me. Daar word ik niet vrolijk van, nog een reden om hier weg te willen maar toch…die vreemde vrouw zorgt goed voor me. Had mijn moeder maar zo goed voor me gezorgd, vroeger…ooit. Ik heb zin om te huilen, een hele tijd. Ik weet niet zo goed wat ik hier doe maar ik kan hier ook niet weg….dan blijft huilen over. Daar is de vrouw achter het scherm weer, misschien hoort ze me…

Dag 7

Die man denkt echt dat hij mijn vader is. Hij loopt maar om het bed heen, tilt me op en ik moet zeggen, dat kost hem nog niet eens moeite ook. Ze hebben me trouwens ene luier om gedaan. Eigenlijk wel handig want ik kan niet lopen. Waarom niet? Komt dat nog door die botsing met de bergwand. Ja, dat weet ik nog goed…die bergwand. Daar ben ik tegenaan gevlogen vanwege haar…achter het scherm loopt ze nog steeds. Mijn vader had het haast opzij geschoven. Bijna had ik haar weer in levenden lijve gezien. Bijna…ik ben er zeker van dat haar hand zag, heel even maar. Waarom komt ze niet bij me? Nou ja, misschien is het maar goed dat ze me zo niet ziet, niet kunnen lopen en een luier dragen…dat zal haar liefde niet vergroten. Haar liefde…o had ik die maar.

Het lijkt nu wel of haar silhouet weer wat zwakker is dan gisteren. Langzaam drijft ze van me weg…zij die ik het meeste liefheb van allemaal. Ik dacht dat dit voorbij zou zijn na mijn zelfmoord…maar er gebeuren alleen maar rare dingen met me. Dingen die ik niet goed begrijp….  Ja, dat ik niet lopen kan, dat zal wel door die klap komen maar verder…wat moet die vrouw naast me toch, ze is mijn moeder niet! O God, help me dan toch…ik houd dit niet uit. Het kriebelt, jeukt, doet zeer..ik kan niet een stilliggen en mijn huilen…dat houdt ook maar niet op, ik moet huilen, zo vreselijk huilen…wat ik vroeger nooit deed..huilen… dan gaat die wanhoop weg, een beetje…

Dag 8

Ik geloof dat ik geen tranen meer heb. Natuurlijk, mijn bedje is kletsnat van het huilen en ik heb een schorre keel van het schreeuwen. Ik kruip dicht tegen de vrouw aan die zich gedraagt alsof ze mijn moeder is. Ze klemt haar armen om me heen en ik vind het heerlijk. Ik voel langzaamaan geen behoefte meer om te kijken naar die vrouw achter het scherm. Het lijkt ook wel of ze steeds verder wegdrijft, haar schaduw wordt steeds zwakker. Misschien moet ik genoegen nemen met een nieuwe liefde. Zou dat niet mooi zijn voor iemand die expres tegen een berghelling aan vloog?

Mijn onrust begint ook weg te ebben. Het verdriet van gisteren maakt plaats voor een heel nieuw, onbekend gevoel, een gevoel dat ik iets wil…ongeduld rukt op. Ik kruip nog dichter tegen die vrouw aan en zij houdt me nog steviger vast. Die man die bij haar is, dat vind ik wel een engerd. Het lijkt wel of hij haar van me af wil pakken. Ze kussen elkaar zelfs…zoiets zou ik ook wel willen maar hoe werkt dat ook weer? Ik spits mijn lippen en de vrouw naast me lacht als ze het ziet. Ze zegt iets in haar onverstaanbare taal.  Maar die vent…die zint me niet…

Het wordt avond en die vent zit er nog steeds. Ik zou willen dat hij opduvelde. Ik heb het gevoel dat ik me maar het beste zo stil mogelijk kan houden. Met één oog kijk ik nog een keer naar het scherm maar het silhouet van mijn vroegere geliefde is nauwelijks nog te zien. Ik begin aan een nieuw leven, lijkt me en…ik val in slaap met mijn duim in mijn mond…

Dag 9

Ik stik, die duim gaat er niet meer uit…ik hoor angstige kreten , de vrouw naast me, een mannenstem en de stemmen van meisjes en nog weer andere mannen. Angstig, paniekstemmen, ze schreeuwen door elkaar en hebben ze wel door hoe benauwd ik het heb? Ik stik hier bijna…of bijna? Alles tolt om me heen en het is donker, zo verschrikkelijk donker en toch lijkt het nog alsmaar donkerder te kunnen worden. Mijn hoofd bonkt, het gaat te keer, het lijkt erop of mijn aderen uit mijn hoofd zullen barsten. Voelt het zo als je een hersenbloeding hebt? Het is maar goed dat ik al dood ben, zoiets kan mij niet meer…of…ben ik eigenlijk wel dood? Ik probeer mijn ogen te openen maar alles blijft donker. Ja, mijn ogen staan wagenwijd open…en het blijft donker…

Het doet pijn, alles doet pijn. Mijn hoofd, het lijkt nu wel of het in elkaar gedrukt wordt, zoals je een kartonnen doos in elkaar kunt drukken. En mijn buik, mijn maag…zo’n buikpijn heb ik nooit eerder gevoeld. Dat komt vast van die moedermelk. Wie geeft een volwassen man dan ook moedermelk? Ben ik wel volwassen trouwens? Opnieuw probeer ik mijn ogen te openen maar alles blijft donker en de duisternis om mij heen kolkt en draait nu, alsof alles naar een middelpunt draait waar ik doorheen getrokken moet worden. Ik krijg het nog benauwder maar ontspannen liggen kan niet meer. Het lukt me niet mijn armen en benen te strekken. Ik wil huilen maar ik merk dat het niet gaat. Het geluid en de tranen blijven binnen.

Het geschreeuw van de vrouw naast me wordt nog harder . Ze gilt en krijst nu en ik merk dat ze door een paar mannen in de omgeving wordt vastgehouden. Ze kan me niet meer aanraken. Dat vind ik niet zo erg. Erg is wel dat iemand probeert me nu in een soort zak te duwen en ik heb het al zo benauwd. Halloo…heeft niemand door hoe benauwd ik het heb? Ik krijg nu echt geen adem meer en roepen kan ik niet. Zelfs spartelen lukt me niet meer. Ik zit zo stevig vastgesnoerd dat ik geen ledemaat meer kan bewegen en ..ik stik…ik stik…het kolkende duister voor mijn ogen draait steeds wilder ik zie gekleurde stippen en een soort kruimels erin meevliegen…

Open gaan ze, mijn ogen, eindelijk. Bij de lichte wand tegenover mijn bed zie ik het vertrouwde kapje van een Oostenrijkse verpleegster. Vanuit één ooghoek houdt ze mij in de gaten en dan roept ze naar haar collega, die wat verder op staat. ” Aber er bewegt seine Auge doch, seh ich ja.”  Haar collega komt dichterbij en buigt zich over mij. ” Du hasst recht, werde mal Hernn Scheiwiesen warnen.” Met grote stappen is zijn de kamer uit. Ik glimlach naar de zuster en zij glimlacht flauwtjes terug. ” Wie fühlen Sie sich?”  vraagt ze zachtjes zodat ik het nog net hoor.

Dag 10

“Ach so, Sie sind wieder da”, dokter  Scheiwiesen buigt zich over mij heen, trekt mijn onderste oogleden naar beneden en ziet hoe ik met mijn ogen rol. ” Hören Sie mich auch?”  Ik knik een beetje met mijn hoofd want ik voel me slap, hongerig, heel erg hongerig en dorstig, ik heb vooral dorst. Er zit een vieze smaak in mijn mond die ik niet kan thuisbrengen, het lijkt melk maar de smaak wijkt er toch een beetje van af. Bah, vies… vettig….  “Eten”, mompel ik zachtjes aan het oor van de zuster die zich nu over mij buigt.

“Ja, ja”, de zuster glimlacht vriendelijk. ” Daar moeten wij nog wat voorzichtig mee zijn, meneer Hollinger”, zegt zij. ” U bent heel erg ziek geweest, uw maag en uw darmen moeten weer aan eten wennen.” Maag en darmen? Alleen bij die woorden ga ik al bijna over mijn nek. Ik voel een misselijk gevoel opkomen en de zuster knipoogt. Ziet u, uw maag is al heel lang leeg. Ik zal u iets tegen de misselijkheid geven. Zij hangt met haar borsten nu heel dicht over mij heen en iets in mij zorgt dat het weerzin oproept…borsten…ik voel me er niet prettig bij. Ik verwonder me daar niet over, daarvoor heb ik de kracht niet. “Moedermelk”, galmt het in mijn hoofd…

Haast onhoorbaar klinken er nu voetstappen, licht en bedachtzaam. Mijn verstilde oren merken ze op in de richting van de deur en daar zie ik haar…zij die mij zo lief is geweest…altijd….zij, voor wie ik mijn leven heb willen geven…zij voor wie ik tegen een berghelling vloog…. Er schiet een lichtflits door mijn hoofd en er kruipt een stekende pijn naar binnen. Even moet ik mijn ogen dicht doen maar dan wil ik weer zien, die vrouw die ik zo innig heb liefgehad en die mij niet zag staan, zitten, liggen en verlangen…

Ze gaat nu voorzichtig op de rand van mijn bed zitten en strijkt met een hand over mijn linker onderbeen. Had ze dat eerder gedaan, dan was het allemaal niet nodig geweest! ” Hallo lieverd, fluistert ze, ik ben zo blij dat je terug bent. Zo blij…! Ik ben zo bang geweest dat ik je nooit meer zou zien.” Wat gebruikt ze het woordje “ik” vaak! Ik knipper met mijn ogen en glimlach flauwtjes naar haar. ” Ik heb jou steeds gezien”, zeg ik, ” maar je wilde niet komen.” Ze slaat haar ogen neer  en lijkt onzeker. Met één hand krabbelt ze aan het dekbed.Dan slaat ze haar ogen weer op en kijkt mij onbegrijpend aan. ” Mij gezien?”  vraagt ze , haar stem trilt en ze klinkt schor. Ze schudt haar lange. rode lokken voorzichtig door elkaar en kijkt mij dan weer recht in mijn ogen. Ja, die rode lokken, ze zijn  nog steeds even rood. ” Ja, je stond achter het scherm maar je durfde er niet achter vandaan te komen.” Zij slaat weer haar ogen neer en krabbelt nog heftiger dan daarnet aan het dekbed.

“Ik durfde niet, ik was niet zeker, voelde me niet zeker van jou en niet van mijzelf, misschien was ik ook teveel met andere dingen bezig of andere mensen zelfs. Ja, misschien zag ik wel zoveel interessante dingen om mij heen dat…”  ze klauwt nu in het dekbed.  ” Maar nu, nu, weet ik wat ik wil.”

De laatste woorden slikt ze bijna in want de zuster, die met die weerzinwekkende moedermelkborsten, komt binnen. Ze brengt mij een groot glas yoghurt met perziksap. ” Alstublieft, probeert u dat maar eens.” Zuur! Zo zuur! En toch, ik wilde niets laten merken want dan zouden ze denken dat ik nog lang niet aan een gewone maaltijd toe was en dus slikte ik die zure massa achter elkaar op. Tussendoor was Rosa aan het woord. “Ik snap nu hoeveel verdriet ik je heb gedaan”, zei ze. ” Ik begreep niet goed hoeveel je voor me voelde, hoe lief je me had…”  Ja, ik wist niet goed wat ik daar op moest zeggen en keek haar met open mond aan. “We kunnen een nieuwe start maken”, ze zei het wel drie keer achter elkaar maar een antwoord kwam er niet over mijn lippen. Daar zat de vrouw waar ik zo innig van had gehouden dat ik met een sportvliegtuigje had geprobeerd mijn leven te beëindigen omdat ze niet reageerde op mijn avances. En nu wist ik niet wat te zeggen. “Ben moe”, mompelde ik en Rosa begreep het.

Zuchtend stapte ze op van mijn bed en ze gaf me een heerlijke zoen op mijn wang, echt heerlijk maar ik kwam tot niets meer… Toen ze de kamer uit was, hoorde ik mezelf mummelen:” Nee, lieve meid, je bent te laat.Ik heb teveel meegemaakt.”

Die middag nog stond ik buiten en snoof ik de geuren van de bomen op. Het mocht niet maar ik had het regime van het ziekenhuis aan mijn laars gelapt. Ik voelde me vrij…bevrijd zelfs. Een “gelukkig dood” ervaring? Nee, gelukkig ik mocht leven… Voor het eerst sinds tijden drong het beeld van Rosa zich niet meer aan me op. Over en uit….

Advertenties