“Komt een man bij de dokter…” Nee, daar moet ik niet beginnen. Ik moet beginnen bij mijn jeugd, mijn vader die als paardenslager in het dorp Deurne nou niet bepaald de meest geziene inwoner was. Deurnaren laten zich graag voorstaan op hun liefde voor paarden en de slager die het vlees dan ook nog veel te goedkoop verkoopt, hoort daar niet bij.

Wij woonden dan ook helemaal aan het arme uiteinde van het dorp en op school werd ik met de nek aangekeken. De enige klanten die met opgeheven hoofd bij mijn vader in de winkel kwamen, waren de Joden van het dorp. Niet omdat zij zoveel van paardenvlees hielden maar omdat zij varkensvlees nog lager aansloegen en het was goedkoop. En ja, de klandizie was inderdaad teruggelopen sinds 1945.

In de kerk moesten we altijd in een bepaald hoekje achteraf staan en dat gaf al een heel vernederend gevoel. We kwamen nauwelijks in aanmerking voor het ouweltje. Als het zover was, keek ik altijd stiekem naar het gezicht van de priester om te zien of hij bij ons een extra vies gezicht trok.  Volgen mij was dat zo, altijd en daarom voelde ik er niet veel voor om koorknaap te worden maar mijn ouders deden er hun uiterste best voor. Ze probeerden de monniken van het klooster zelfs goedkoper paardenrookvlees aan te bieden om het zover te krijgen maar…de overste klaagde dat hij altijd zo moest hoesten van die rooklucht…

Hoe dan ook, mijn vader werkte dag in dag uit, alleen op zondag ging hij naar de kerk en ‘s middags kreeg hij wel eens een vriend op bezoek. Vrienden had hij wel, niet uit Deurne. Ik herinner mij een mager, klein mannetje met een veel te grote boerenpet waarvan mijn vader beweerde dat het “gelders”  was. Ik zag altijd met tegenzin hoe dat mannetje aan mijn Rietje, zusje, zat te friemelen en intussen niet anders deed dan een taaltje uit brabbelen. Zo nu en dan onderbrak hij zijn betoog met een stevige rochel en dan ging hij piepend en hijgend weer verder.  Mijn vader zei nooit iets van dat gefriemel en mijn moeder leek het niet te zien. Mijn vader luisterde naar het mannetje dat uit zijn bruine bek stonk als een dood paard. Intussen probeerde mijn zusje aan zijn enge klauwen te ontkomen. Als haar dat eenmaal gelukt was, rende ze naar me toe en riep ze dat ze wilde spelen. Dat mannetje gluurde haar dan nog met smalle oogjes na. Een keer heb ik hem gevraagd of hij met zijn poten van mijn zusje wilde afblijven. Het werd doodstil en mijn vader zei: ” Zeg waar bemoei jij je mee…?”  Ik heb toen een hooivork gepakt en die man in zij  zij geprikt…dat hielp, hij liet meteen los en ik, ik moest de slachtershal schoonmaken…klerewerk. Bah, maar Rietje kwam me helpen…!

Mijn vader werkte zich dus een slag in de rondte. Hij moest ook zelf de paarden slachten en dat was een hele klus. Meestal sloeg hij ze met ene hamer keihard op hun hoofd zodat ze verdoofd wasren maar dat mislukte ook wel een en dan lag zo’n dier een tijd uur te stuiptrekken. Ik kwam liever niet in de slachthal als er paarden waren. Vrijdag kwamen de leveranciers meestal. Er waren boeren bij uit de omgeving maar natuurlijk ook de mensen van de manege-opleiding NHB. Allemaal hetzelfde ruwe, botte volk. Er zaten weinig paardenvrienden bij maar ja…daar leert je als paardenslager natuurlijk niet op. Wat ik er wel van leerde was dat hard werken een prima tijdpassering was. Als je werkt, heb je vrij weinig last van anderen en…je kunt er nog wat mee bereiken ook.

Intussen zat ik voor mijn verdriet op school. Een bleke, lange, magere jongen met dikke puisten pestte mij constant, lichtte mij beentje en deed een keer sperma in mijn drinkflesje. Ik had het pas door na een forse slok… Op ene goeie dag had i er zó genoeg van dat ik hem een klap voor zijn kop gaf. Daar is hij nooit helemaal van bijgekomen en hij moest naar een andere school toe waar ze kinderen met hersenschade konden helpen. En ik ook…ik kwam buiten Deurne op school terecht. Dat had het voordeel dat ik steeds minder van mijn familie zag. Uit zo’n gezin kom ik dus…. (wordt vervolgd)

II

De zon scheen op de zanderige paden van Deurne  want Deurne was in die tijd nog een dromerig zelfingenomen dorp. Het was alsof alles in het dorp erom riep de zon in zijn ban gevangen te houden maar steeds bleek weer dat zoiets niet lukte. Mooiwas het wel, die gedachte dat de zon door het dorp kon worden vastgehouden en mooi warebn ook de paarden die geregeld aan de hand van de leerling-rijinstructeurs door het dorp stapten, een dikke wolk stof achterlatend en…mooi was de andere kant van het dorp, daar waar ik niet woonde…de rijke kant. Daar had je het huis van de burgemeester, de dokter, die wij ook bezochten omdat het de enige was en de notaris. Dat huis van de notaris, daar was iets bijzonders mee. Daar woonde namelijk Jeltje, een meisje met hoogblond haar, een meisje dat ondanks haar weinig Brabantse naam zowat alle jongens van het dorp achter zich aan had. Jeltje hield ook mijn oog op haar gericht maar ja, de zoon van de geminachte paardenslager, hoeveel kans zou die maken? Jeltje was dus populair en ze wist het. Als ze door het dorp liep schudde ze altijd extra uitdagend met heur haar dat in lange lokken over haar schouders viel.

Zij liep vlak voor mij uit, terwijl ik fietste in de richting van de school. Ik bleef achter haar hangen om even wat langer te genieten van haar zwaaiende, lange haar en haar sierlijke bewegingen, haar slanke heupen en haar wulpse kontje. Er kwam een gevoelsmatige waas in mijn hersens bij het aanschouwen van al die pracht maar die werd wreed doorbroken doordat Jeltje achterom keek. “Moe?”  vroeg ze met pret in haar ogen omdat ze heel goed wist waarom ik zo langzaam fietste.  Ik werd in verwarring gebracht door haar vraag en trapte wat harder. Geen woord kon ik uitbrengen en ik kon haar glimlach bijna door mijn overhemd heen voelen…

De school was leuk hoor al dwaalden mijn gedachten steeds vaker af naar dat grote, mooie huis van de notaris en zag ik haar in gedachten door de kamers dwalen. Op de terugweg scheen de zon in mijn ogen en weerkaatste het zand van het pad het felle zonlicht. Ik zag bijna niets, behalve Jeltje… en daar waar de contouren, het silhouet, van haar huis zich tegen de scherpe lucht aftekende, gooide ik mijn fiets op de grond. Ik moest het nu doodeenvoudig weten, ik zou het weten…

Ik rende over het stoffige pad naar de deftige voordeur en merkte de kar van de melkboer niet op, waarschijnlijk had ik geluk dat het hekje voor het pad openstond, anders was ik met mijn borst in de scherpe punten gerend. Mijn onderbuik vertelde mij dat ik door moest, verder..mijn hart klopte zelfs tot in mijn onderbroek… Ik liet de klopper op de deur vallen en probeerde mijn gehijg en stijve die ik intussen had opgelopen, te onderdrukken. Langzaam schoof de  voordeur over een dikke kokosmat en in de donkerte daarachter verscheen het gezicht van een grijze vrouw in een bloemetjesjurk. ” Aha, de jongen van de paardenslager…” kraaide haar stem. ” Wat moet je?”

Als ik al moed had verzameld, dan was die nu weg… “Is Jeltje thuis?”  vroeg ik haast onverstaanbaar zodat ik het voor de oren van het oude vrouwmens nog een keer moest herhalen ook. “Dat gaat jou toch niets aan?”  vroeg zij met haar schorre kippenstem. “Scheer je weg, arbeidersjong!” Omdat mijn moed al lang in mijn schoenen was gezakt, wist ik niets beters te doen dan mij om te draaien en weg te lopen, in een sukkelgang het tuinpad af en deze keer moest ik het dichtgevallen hekje open en dicht doen. Langzaam ging ik op weg naar huis maar achter de struiken van de tuin van de notaris hoorde ik een stem. ” Ik wil je graag een keer zien”, het was Jeltjes stem. ” Laten we vanmiddag afspreken in de Smidse bosjes… Ik lachte en kreeg een brok mijn keel. ” Ik zal er zijn”, zei ik zachtjes. Pas thuis ontdekte ik dat ik mijn fiets vergeten had…erg was dat niet…de Smidse bosjes lokten daar vlakbij.

Toen ik haar slipje naar beneden trok, wist ik dat het ook voor mij de eerste keer was maar ik deed net alsof ik een ervaren minnaar was. Dat merkte zij toch niet omdat het haar eerste keer was…Ze wist nog van toeten noch blazen. Het was zo’n mooie ervaring dat ik nooit meer anders wilde en nooit meer naar een ander heb omgekeken. Ja, zo leerde ik mijn vrouw kennen…in de Smidse bosjes.  Die avond kreeg ik thuis op mijn mieter omdat ik mijnfiets ergens had laten liggen. Hij was thuisgebracht door een boertje in de buurt van de Smidse bosjes. Ik mocht meteen de slachthal schoonmaken. Voor de zoveelste keer. Natuurlijk vroegen mijn ouders zich af waar ik al die tijd toch was geweest maar ik zag kans mijn relatie met Jeltje voor hen geheim te houden.

Dat was eigenlijk gek want zo vaak ik kon, fietste ik met haar mee en dan praatten we over alles dat je maar bedenken kon: paardenbiefstuk, de zandweggetjes in het dorp maar vooral de andere jongens die dagelijks heen en weer fietsten en soms kwam die jongen die ik zo hard op zijn hoofd had geslagen aan bod. Hij scheen een blijvend hersenletsel eraan overgehouden te hebben hoewel lang niet iedereen een verschil merkte. Hoe dan ook, hij bleef op het speciaal onderwijs voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten. Wie mij pest…kan de ziekte verwachten, zo is dat. Zo is het ook altijd gebleven.

Duidelijk werd het intussen wel. Jeltje en ik, wij hoorden bij elkaar en het was een wonder dat we niet al drie kinderen hadden voordat we trouwden.

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo spaarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broer, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, el;ke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo sp[aarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broere, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, el;ke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren.

Zo, nu iedereen weet uit wat voor gezin ik kom, kunnen we verdergaan. Natuurlijk, wat ik verteld heb, klinkt wel voor een groot deel skagrijnig maar er waren ook leuke dingen hoor. Zo spaarden mijn ouders dag in, dag uit om ij te latenstuderen. Mijn zusje had geen oleiding nodig, vonden ze. Die kon wel gewoon ergens in de huishouding gaan en mijn jongere broere, die werd maar priester. Maar ik, nee ik, ik moest een echt beroep krijgen en zo geschiedde…zouden zeggen.

Kijk, dat leek me wel wat en Jeltje vond het geweldig. Zij vind het fantastisch want met een mooi beroep kon ze mij tenminste goed “verkopen”  in de familie. Thuis, bij haar ouders, liep ze de hele dag met pretoogjes rond omdat ze wist dat ik geen paardenslager zou worden. En inderdaad, dat was mijn liefde niet. Het stonk, was smerig en het geluid van paarden die hun einde hoorden naderen, kon ik niet aanhoren. Het gegil van de dieren en het getrappel met hun hoeven was mij te machtig. Dus ik keek rond en…op een goei dag wist ik het. Het was voorjaar en hoogste tijd voor examenkandidaatjes om te bepalen wat voor studie ze zouden volgen. En ja…het werd architectuur. Daarvoor moest ik dan wel helemaal verhuizen naar Delft maar mijn ouders hadden goed gespaard en dus was er geen probleem.

Jeltjes hart juichte. Ze wist zeker dat haar ouders helemaal blij zouden zijn met een man die architect was. Dolenthousiast rende ze de woonkamer binnen en met flitsende ogen vertelde ze wat ze van mij had gehoord. “We zullen het zien”, zei haar moeder koeltjes, ” we zullen het zien.”  Haar vader bracht niet veel meer op dan een glimlach en de vraag of die stinkende paardenkop dat dan kon. Jeltje was dus woedend en stampte met boze stappen de trap op en die avond kwam ze niet naar beneden om te eten. Haar ouders brachten haar doodeenvoudig ook helemaal niets. Jeltje vertelde mij de volgende dag dat ze trots was op zichzelf omdat het haar helemaal geen moeite had gekost om een avond zonder eten door te brengen. Ik was vertederd, mijn verliefdheid werd er alleen maar groter door. Wat had die meid veel voor me over! Ik kon het niet laten haar eens even lekker door elkaar te schudden, aan haar haren te trekken, in het gras te gooien en…toen te ontdekken dat ene koe ons langzaamaan wel erg dicht had genaderd.  Ik rukte haar meteen weer overeind en van die beweging schrok de koe zo erg dat ze de andere kant op rende. Ver weg van  ons tweeën. Toen kreeg ik toch nog mijn kans. Nee, zonder condooms…die dingen waren in heel Deurne nergens te krijgen.

Feest was het dus wel maar het was ook nog meer dan dat. Jeltje, die een verpleegopleiding ging volgen, had woeste plannen. Terwijl ze haar bh en slipje weer rechttrok keek ze me uitdagend aan. : En dan ga ik lekker bij jou in Delft wonen, elke dag als we thuiskomen even ketsen en pas daarna eten en dan weer enzo…  Haar donkere oogjes bewogen snel heen en weer terwijl ze het voorstelde en ik…ja ik moest daar nog eens even over nadenken. Het leek mij nu juist zo heerlijk om helemaal alleen te wonen en met niemand rekening te houden maar ja….die voorstellen van Jeltje waren ook niet gek en…misschien onze wel goed koken.

Ja, zo mocht je toen nog denken. Meisjes in de keuken, dat was hun natuurlijke plaats. Mijn vader vond dat en ik …nou ik vond het niet per se nodig om vrouwen naar de keuken te verbannen. Ze mochten ook best de drank inschenken of ronddelen en de slaapkamer was ook goed. Ja, zo dacht je in die tijd, in Deurne

Ik keek uit over de zandpaden en dacht ene beetje in mijzelf aan de komende weken, aan de tijd dat ik er niet meer zou rondlopen, in dit dorp. Dat ik naar de grote stad Delft zou gaan. En dan studeren, ja natuurlijk. Het was laat die avond toen ik thuiskwam en mijn vader mij begroette alsof ik altijd al zijn grootste held was geweest.”Geweldig jongen”, zei hij. ” Je hebt het voor elkaar. Je bent geslaagd.” Dat maakte me wel blij, die waardering ook en het was voor het eerst dat ik in de ogen van mijn vader tranen zag. Mijn moeder niet, die was stil zoals altijd , gaf me een kus en verdween weer snel naar de keuken. Maar mijn vader leek al bijna iemand met gevoel.  Die tranen, die vond ik nog mooier dan de mooie fles wijn die hij opentrok om mijn slagen te vieren.

Gezellig, ja zo kon je het wel noemen. We hadden een verdiepinkje van 6 bij 3 en als je van de tafel naar het bed liep, moest je over een stapel boeken heen klauteren.Studieboeken, we noemden dat de rijstebrijberg die de weg naar het walhalla blokkeerde maar waar je met veel moeite toch kon jkomen. Ons bed, dat was het walhalla. Met opzet kozen we voor het Germaanse begrip en niet voor hemel want dat klonk zo erg “Deurnes”.  Het was natuurlijk niet voor niets dat we die muur van studieboeken voor ons bed hadden gebouwd. Als we dat niet hadden gedaan, hadden we nooit gestudeerd.

Jeltje zat trouwens sowieso al veel vaker met haar neus in de boekendan ik. Ik tekende en als ze dat zag, zei ze: “ben je nu al weer met ons droomhuis bezig?” Dan kwam ze naast me zitten, half op schoot, gaf ze me kusjes en boog ze zich over de tekening om te zien hoe ik het me allemaal voorstelde. Als een echte vrouw gaf ze ook praktische aanwijzingen. Dan zette ze gewoon haar knalrood gelakte wijsvingernagel op de laatste plek waar ik had getekend  en dan zei ze: ” en hier komt de kinderkamer.”

Niet dat de kinderwens bij Jeltje zo diep zat maar ze wilde graag een kind terwijl we nog ongetrouwd waren, om haar ouders te laten zien dat ik best wat waard was en…om heel Deurne op zijn grondvesten te laten schudden. De dochter die hokte met een man en al een kind had. BAH! Van tijd tot tijd lagen we ook gewoon tussen de studieboeken te vrijen en ook dat was wel heerlijk, al moesten we daarna vaak heel lang naar de bladwijzers zoeken.

Jeltje was gek op Delft en ze kon tijdenlang blijven turen voor een etalage met Delfts blauw. En ja natuurlijk moest ze naar de Prinsenhof en de kelders aan de Nieuwe Kerk om zoveel mogelijk te zien waar de Oranjes waren gebleven. Weliswaar had ze niet zoveel trek meer in de goeie, oude kerk van de paus maar het koningshuis, daar was ze dol op. “Je moet toch ergens bij horen”, zei ze vaak. Ik merkte dat het me niet uitmaakte wat ze zei want alles wat ze zei klonk zo sensueel en zag er zo aantrekkelijk uit. Als haar rode lippen zich soepeltjes bewogen tussen het blonde haar en onder de blauwe ogen, dan smolt ik. Dan kreeg ik onmiddellijk aandrang voor de volgende stormloop op haar bastions en…meestal kwam het ook zo ver.

En elke keer, willekeurig ergens tijdens de vrijpartij, kwam in mijn hoofd het beeld op van mijn sjagrijnige ouders in Deurne die hun greep op mij waren kwijtgeraakt en schoot het door mijn hoofd: “zo is het goed.”

VI

We waren dolgelukkig en in elk geval leek het daarop. De rotzooi om ons heen kon ons niets schelen en we sprongen elke keer met de hakken over de sloot als het om proeven en tentamens ging. Ik vrraag me nu wel eens af wat we meer deden: vrijen of werken…natuurlijk we werkten elke dag, behalve vrijdags, allebei. We hadden allebei een baantje in de horeca dat bestond uit friet bakken en pils uitdelen. Grotendeels deden we dat nog zwart ook, wat toen veel gemakkelijker was dan nu. En met veel plezier streken we de fooien op. Zo lukte het ons om de week en de maand en de jaren door te komen.

Poes Herman was de enige die onze vrijpartijen aanschouwde. Volgens mij begreep hij heel goed wat we aan het doen waren want als ik opkeek, zag ik hem altijd knipogen en dan met een onverschillig gezicht de andere kant uitkijken. Hij was een echte rooie kater die soms ook aan onze spelletjes probeerde mee te doen maar na kortere of langere tijd kon hij het toch niet goed bijhouden. Dan trok hij zich min of meer beledigd terug omdat we meer aandacht gaven aan elkaar dan aan hem.

Herman scheen zich er trouwens weinig om te bekommeren dat onze eerste kamer maar zo weinig ruimte bood. Hij deed nooit een poging om de kamer uit te komen en nam genoegen met ons gezelschap.  Zodra we binnen waren, kroop hij bijéén van ons op schoot, misschien gemiddeld iets meer bij mij dan bij Jeltje maar daar letten we natuurlijk niet op. We letten eigenlijk nergens op en dat was het leuke…nou ja…tot op de dag dat Jeltje mij vertelde dat ze niet meer in haar eentje was.

We krabden ons achter de oren. ” Ik zal wel meer gaan eten”, grinnikte ze zenuwachtig voordat ze het nieuws vertelde over de nieuwe aanwinst. Nadat ze ze haar “bekentenis”  had gedaan, zaten we een half uurtje zwijgend voor ons uit te kijken. Ieder met heel eigen gedachten en bedenkend waar het misgegaan kon zijn. Wisten we ons nog te herinneren wanneer Jeltje de pil was vergeten? Er brak geen herinnering door. Na het halve uur stortten we ons in elkaars armen en het leek erop alsof we nooit meer los zouden laten. Nooit eerder waren we zo in elkaar versmolten al herhaalden zich alle traditionele handelingen en bewegingen want ja, dat kleine vruchtje in haar buik kon nu nog niet knel zitten in onze onstuimigheid. Dat zou pas later komen. We wisten dat we het nu moesten beleven en…natuurlijk….het was voordat Jeltje de pil had genomen maar wie bekommerde zich daar nu nog om? Het was allemaal zo gevaarloos als het nooit meer zou worden, dachten we…

Je kon dus niet zeggen dat Jeroen later een gewenst kind was…nee…hij was doodeenvoudig vol lust en begeerte naar binnen gesleurd. “Gewenst”  klonk in dat verband veel te lullig. Jeroen…we wisten de naam van meet af aan, werd de vleesgeworden liefde die tussen ons opbloeide en niet alleen de liefde maar ook de doodgewone lustgevoelens. We hebben het hem nooit verteld en achteraf ben ik dat gaan betreuren maar ja….

De wijn verdween de maanden daarna uit het rek. Jeltje had zich helemaal bekeerd tot de sinaasappelsap en dan nog het liefst zonder suiker. ” Dik worden doe ik nu toch wel”, zei ze elke keer lachend. Uit pure loyaliteit ging ik aan de druivensap, die zonder alcohol. Een enkele keer probeerden we ene fles alcoholvrije wijn maar dat misselijke goedje werd ons al gauw teveel. Dan toch maar weer gewoon aan het vruchtensap. We zwoeren teveel zout af en bestudeerden de achterkant van pakketten met voeding totdat we erbij neervielen, alleen om te zien of er geen verkeerde stoffen voor Jeroen in zaten. Soms legde ik mijn oor tegen Jeltjes buik en dan hoorde ik hem roepen: ” ik lust geen liga.” Dan was dat voor ons voldoende aanwijzing om ermee te stoppen…

We beseften intussen dat onze woonruimte voor ons tweeën. Jeroen en Herman wel wat erg krap zou worden en dus gingen we opzoek naar iets nieuws en dus ook iets duurders…kinderen kosten geld…

VII

Op een goede morgen had ze tot mijn grote schrik de hele tafelschikking veranderd. Zij keek mij stralend aan en wees op de kinderstoelen die links en rechts van haar stonden en zei met ene blije stem. ” Kijk eens, links en rechts heb ik nu wat het mij het liefste is mijn leven. De kinderstoel aan de linkerkant was nog leeg maar verwees naar de toekomst. Recht tegenover haar aan tafel stond mijn  stoel, alsof ons leven in het vervolg een talkshow zou worden met mijn beide kinderen als publiek…euh…onze beide kinderen. Ik knikte wat wanhopig maar waar die wanhoop precies vandaan kwam, was mij op dat moment  nog onduidelijjk. Nu, een paar jaar later, nu de hele geschiedenis achter de rug is, nu snap ik het maar ja te laat: de kinderwens van de vrouw is algemeen geaccepteerd omdat het de diepste wens van de vrouw is. De bevruchtingswens van de man is zijn diepste wens maar wordt gezien als ontrouw. It’s a man’s world…???!

Hoe dan ook , ik nam plaats op de stoel die mij was toegewezen en at zuchtende en langdurig kauwend mijn brood op. Ik kreeg het gevoel dat de sfeer van het traditionele huwelijk. Het was of er een loodzware mantel der liefde over mijn schouders werd geworpen. Een liefde die nooit loslaat, die zegt dat uit elkaar gaan de goedkoopste oplossing is van de problemen die ieder van de beide partners met zichzelf heeft. Van die zware gedachten overkwamen mij die mijn lichaam doortrokken van nek naar voeten en die elke lust tot lust weg deden vloeien. Beginselen van trouw, beloften, zekerheden en verantwoordelijkheid…het waren nu niet bepaald begrippen die als beleg goed passen op volkorenbrood. Ik keek Jeltje aan en zij keek nauwelijks terug. Haar ogen waren vooral gericht op de kleine Jeroen, een leuk ventje, natuurlijk, zoiets vind je als vader ook. Maar waarom keek zij nauwelijks mijn kant op? Was ze geschokt door mijn weinig bemoedigende reactie op de herschikking aan tafel? Ik had geen zin om het te ragen en kondigde na nog drie keer kauwen aan dat ik aan het werk ging.

Ze reageerde niet maar propte opnieuw een hap in het mondje van Jeroen. Die in mij was er iets dat me vertelde haar niet alleen te laten zitten met de afwas maar tegelijkertijd had ik het gevoel dat zij helemaal voor zichzelf had gekozen zonder aan mij te denken. Nu wild eik voor mijzelf kiezen, al was het maar één keer. Dat wik niet zeggen dat ik er vrolijk van werd. Terwijl ik mijn rooster zat op te maken voor een indeling van studie en werk, bleef er in mijn achterhoofd iets hameren, een gevoel dat het allemaal anders was dan vroeger. Aan de andere kant maakte ik mijzelf ook wijs dat het tussen Jeltje en mij nooit anders zou kunnen worden, we waren gewoon gek op elkaar. En inderdaad…

De volgende dag was de oude tafelschikking weer terug. Jeltje zei met een wat mistroostig gezicht dat ze het allemaal toch niet zo mooi vond staan en dat ze toch meer hield van de oude opstelling met ons beiden aan weerszijden van Jeroen en of ik dat ook niet vond. Ik was diplomatiek genoeg om te zeggen dat ik haar speelsheid met nieuwe ideeën juist zo opwindend vond, die drang naar afwisseling maar…dat ik de oude opstelling toch ook wel zo prettig vond en daarmee dreef een donkere bui over. Hoewel, niet helemaal, het bleef aan mij knagen dat ik de eerste keer zo weinig had gereageerd, zo matig assertief was geweest. Ik zag mijzelf altijd graag als een assertieve, krachtdadige man en nu, in het contact met Jeltje was daar toch bitter weinig van terechtgekomen. Wie eenmaal een bittere pil heeft geslikt, blijft altijd de smaak bij zich dragen. We leefden weer vrolijk en gedachtenloos verder maar nooit meer zo onbevangen als vroeger. Van tijd tot tijd staarde ik uit het raam en dan vroeg Jeltje waar ik aan dacht en dan zei ik dat het staren deel uitmaakte van het creatieve proces. Dat had ik een keer ergens gelezen.

We flierefluiten nog lange tijd en Jeroen werd groot…kreeg eerst tandjes en daarna heel veel streken en we vonden het allemaal prachtig en we merkten niet hoe er steeds vaker dingen gebeurden waarover we niet spraken, dingen die niet leuk waren maar waar we geen woord over zeiden. Ik begon zelfs te denken dat het niet praten over dingen, een vorm van liefde was. Het hoorde erbij, wie van een ander hield begon niet steeds over alle mogelijke wissewasjes die hem niet aanstonden en daarom hield ik mijn mond. En nu denk ik vaak dat Jeltje hetzelfde deed.

Leuk vonden we wel het zusje dat Jeroen kreeg, Joseetje. We kregen nu dus echt een nieuwe tafelschikking met twee kinderstoelen in het midden. Joseetje zat aan mijn kant omdat Jeltje zich wijs had gemaakt dat vaders en dochters een speciale band behoorden te hebben, een band die zij zelf thuis altijd had gemist. We waren een gezinnetje waarin ik inmiddels met ene goeie baaa de kost , de hypotheek en de auto verdiende en Jeltje de kinderen in de gaten hield.

Een goeie baan, nou ja, wat geld betreft dan hè…ik moest zo’n twaalf uur per dag werken en dat legde ons dan weer geen windeieren. In het begin was het nog leuk en kwam ik ‘s avonds met een lachend gezicht en kusjes thuis en zoende ik de kinderen of nam ze op schoot. Papa was niet alleen maar de man die ‘s zondags het vlees sneed, ik was ook de ebste vriend van de kindereren, tot het genoegen van Jeltje.

En toch…we zagen elkaar wat minder, ook in bed. Na een werkdag was ik afgetobd en kwam ik niet aan het ontspannen toe dat in het verleden tot zoveel mooie momenten had geleid. Eerlijk gezegd, ik had er ook niet zoveel zin meer in. Ik begon in Jeltje steeds meer de moeder van mijn kinderen te zien en steeds minder ene vrouw om gek op te worden, een vrouw die kriebels en tintelingen veroorzaakte of zelfs een gewone prooi voor mijn man-zijn. Aan de andere kant leverde het nauwelijks problemen op want ik had het idee dat het moederschap haar ook zwaarder viel dan ze had gedacht. ” Elke dag kom ik uren tekort”, zei ze en veel verder kwam ze dan niet omdat ik de energie niet kon opbrengen om naar de achtergronden van haar verhaal te luisteren. Een enkele keer liet ze wat doorschemeren. ” Wat ben je vroeg”, zei ze op een middag, toen ik inderdaad wat vroeger thuiskwam. Het klonk bijna teleurgesteld. Met tuitlipjes bergde ze haar teken- en schilderspullen op. Niet dat het nodig was geweest want een kwartier later lag ik in mijn draaistoel te knorren. Haastzuchtend haalde ze haar hobby weer tevoorschijn. Het zal een twee uur later zijn geweest toen ze me wakker maakte met de opmerking “het eten is klaar”  en een zoen. Haar teken- en schilderspullen waren toen al weer opgeborgen omdat we de tafel nodig hadden voor het eten en…ik had dus niets van haar werk gezien.

Later begreep ik haar opmerkingen over de beperkte tijd die ik voor haar had. ” Kom eens bij me zitten”,  ”Luister eens”, “Wat moeten we met…”, “Doe eens rustiger aan…” en zo ging het maar door maar ik hoorde de onderliggende boodschap natuurlijk niet: “Geef mij eens wat meer aandacht.” Nee, ik klopte mijzelf op de borst en vond mijzelf een kampioen in het onderhouden van een gezin. Van tijd tot tijd gingen we met vakantie naar een binnenlandse bestemming omdat de kinderen nog zo klein waren. “Het is altijd leuk voor ze als er een zwembad in de buurt is”, zei Jeltje vaak en ik knikte braaf omdat ik aan de rand van het zwembad via mijn laptop mijn werk verder kon beheren.

Van vrijen kwam het zelfs in de vakantie niet meer omdat het doodeenvoudig niet meer in de cultuur zat, de cultuur van alledag.We keken tv zoals de meesten, maakten wandelingen en sliepen aan de rand van het zwembad en we dachten, we wilden geloven, dat we gelukkig waren. Alleen al de herinnering aan de verschrikkelijke jaren in Deurne, waren daarvoor voldoende.

IX

Ik merkte de vlek boven mijn linker oog nauwelijks op maar gek genoeg wees Jeltje me erop, of gek genoeg… zij, moest er de hele dag tegenaan kijken dus zo gek was het niet. “Stress?”  vroeg ze met een onschuldig gezicht en als ik toen had opgelet, had ik geweten dat er iets aan de hand was. Maar ik lette te weinig op…dat was de gewoonte, de routine die in elke relatie sluipt, vroeger of later.

Eigenlijk maakte ik me er niet zo bezorgd over en ik stelde me gerust met de gedachte dat het de eerste winter was die ik in het nieuwe kantoor doorbracht en dat het wel iets met de airco te maken zou hebben. ” Ik zal er vandaag meteen een smet ze over praten”, zei ik nog tegen Jeltje. Daarmee was voorlopig de kous af…het werk riep en lokte weer en ik boog mij volop over tekeningen en plannen en vergat de vlek vrijwel helemaal. Ik dacht er net vanaf te zijn toen een collega tegen mij zei:” Die vlek boven je oog, die ziet er niet goed uit. Ik zou er een snaar laten kijken.” Ik glimlachte een beetje zenuwachtig en kunstmatig en zei dat het vanzelf over zou gaan bij een betere afstelling van de airo maar mijn collega was daar niet zo zeker van. Om te bewijzen dat ik gelijk had, liep ik dan ook meteen naar de afdeling die de afstelling regelde. Daar vroegen ze mij een formuliertje in te vullen, als er meer klachten kwamen, zouden ze eens kijken.

Er kwamen niet meer klachten en het duurde niet lang of Jeltje wees op een tweede paarsige vlek op mijn voorhoofd. ” Ik vind dat je ermee naar de dokter moet”, zei ze maar daar voelde ik helemaal niets voor. Ik zag zo’n wachtkamer vol zielige vrouwen voor me en dan zou ikm me daar moeten gaan zitten vervelen om uiteindelijk te horen dat er niets aan de hand was. En zo bleef ik weg bij de dokter…todat de derde vlek en de vierde zich hadden vertoond. Toen werd het ook mij teveel. Op naar de dokter. Hij zou best een huidherstelmiddeltje weten en anders zijn aantrekkelijke assistente wel.

Die was er trouwens niet meer, merkte ik die ochtend en ik bedacht me hoelang het geleden was dat ik bij de dokter was geweest. Zou ik hem nog wel herkennen en zou hij nog weten wie ik was? Zou hij boos zijn dat ik zolang was weggebleven? Ik zou snel het antwoord krijgen want het was helemaal niet druk en er zaten vooral mannen die even snel als ik weer weg wilden zijn. De dokter kwam mij tegemoet met een brede glimlach op zijn gezicht. ” De man uit Deurne”, zei hij in ene poging een wat ontspannen indruk te maken, hoewel ik inmiddels al tien jaar weg was uit Deurne. Ik sprak hem niet tegen en probeerde een stevige handdruk te geven. Ik had ooit gehoord dat zoiets een zelfverzekerde indruk maakte.

De dokter keek naar mijn vlekken alsof hij een leesbril nodig had, streek er eens over met zijn vinger en vroeg of het zeer deed. Hij drukte erop en schudde toen zijn hoofd . ” Ik kan nu niet direct zioen waarop dit wijst”, zei hij op een nadenkende toon. ” Het zou heel goed kunnen zijn dat het door de airco komt in uw kantoor maar ik zou toch even een bloedmonster willen laten nemen. Dan zal blijken of we te maken hebben met een hinderlijke allergie. U kunt zelf even een afspraak maken in het ziekenhuis”, zei hij.

Verontrust? Nee, verontrust was ik niet. Ik was eigenlijk meer geïrriteerd dat ik nu weer vastzat aan zo’n stommer afspraak met het ziekenhuis. In dezelfde tijd zou ik ook gewoon aan het werk kunnen gaan en ik liep al smoesje s te bedenken om Jeltje te vragen die afspraak te maken alleen…dat zou ze dan vast weer op ene verkeerd moment doen. Onhandig dus…

Het kon al op korte termijn, ik was zo slim geweest meteen even langs het ziekenhuis te lopen en de afspraak te maken. Dezelfde week nog, dat leek me prima want dan was ik er eerder vanaf. Met zo’n briefje in de hand kon ik die mensen op kantoor misschien zover brengen iets te doen aan die airco. Ik raakte des te meer van de noodzaak daarvan overtuigd toen zich ook ene paarse vlek naast mijn neus vertoonde. Tot mijn grote ergernis kreeg ik bovendien steeds meer last van buikpijn. Verband was er natuurlijk niet maar ik voelde me er steds minder gelukkig door, behalve op de momenten dat Jeltje me de liefde gaf die je als zieke man nodig hebt…

X

Hij herkende met  dit keer al van een afstand en zei weinig. Pas toen we in zijn kamer aan het bureau zaten, begon hij te spreken. ” Ik wilde u graag even spreken”, zei hij langzaam en met een toonloze stembuiging, eerder bezorgd dan ontspannen. ” Voor wat de betreft de vlekken in uw gezicht, heeft u vermoedelijk gelijk”,ging hij op dezelfde  toon verder. Dat zal een allergie zijn, mogelijk veroorzaakt door de airco.”  Ik vond dat zelfs vrij dom want een allergie wordt natuurlijk niet veroorzaakt door de airco maar door wat je eet of drinkt of gebruikt… Ik kreeg weinig tijd om daarover na te denken. ” U kunt daarvoor ene poedertje krijgen, dat zal zeker helpen en een hydrateringsmiddel , speciaal voor uw gezicht.  Maar dat is niet het belangrijkste.”

Het was duidelijk dat hij het er moeilijk mee had. ” We hebben er niet op getest dus er is niets zeker maar er zijn aanwijzingen gevonden dat u met HIV bent besmet”, de woorden kwamen er als een soort eruptie uit en bleven onmiddellijk, schokloos in de ruimte hangen. Even bleef het stil en toen volgde er:” Ik raad u aan een test te doen.” Ik hoorde zijn woorden nauwelijks maar staarde naar het blad van het bureau. Hoelang ik zo ben blijven zitten, weet ik niet meer maar even later vroeg ik toch nog:”  Wat moet ik doen?”  De dokter overhandigde mij een papiertje waarop ene naam en een telefoonnummer. ” Als u hiermee contact opneemt, dan kunt u een afspraak maken. Begrijpt u me goed, er is niets zeker maar een test is verstandig.” Hij keek mij nu recht in mijngezicht aan maar ik durfde niet goed terug te kijken. Ik had het gevoel dat ik beschuldigd was van iets heel smerigs, iets dat niemand van mij had verwacht en nu kreeg ik de rekening gepresenteerd. Ik slikte moeilijk, voelde aan mijn vlekken op mijn voorhoofd en wist ineens zeker dat die allergie het ergste was wat ik had. ” OK”, zei ik…, ” dat was het.?”  De dokter knikte en probeerde ene vriendelijk gezicht te trekken en zei nog. ” Zodra de uitslag binnen is, zal ik u bellen”, het klonk zachtjes maar toch als een belofte vol zekerheid.

Onderweg naar huis maalden mijn hersens sneller dan mijn fietsende benen. Hoe kon dit? HIV kon je toch alleen oplopen door seks? Voor mijzelf wist ik zeker dat ik het al jarenlang alleen maar met Jeltje had gedaan maar zou er iemand zijn in mijn omgeving die dat geloofde? Kregen mannen niet altijd de schuld van alles als het om seks ging? En, het verschrikkelijkste van allemaal, had Jeltje het ook? Als ik het had…ja, dan kon het niet anders. En wist ze dat al en had ze niets gezegd? Dat kon ik me niet voorstellen maar dan…als de uitslag nu straks “positief”  zou zijn, hoe kwam zij er aan en waarom, waarom…?

Ik besloot in elk geval voorlopig nog niets tegen haar te zeggen. Misschien was het loos alarm. Ik had zo’n gevoel ook eens gehad toen ik dacht geflitst te zijn op de Spaanse snelweg terwijl ik 40 km te hard reed. Ik dacht dat er thuis een dikke bon zou liggen en dat ik mijn rijbewijs tijdelijk kwijt zou zijn. Niets van dat alles, geen bon en rijbewijs gewoon in mijn zak maar dan…zo zou het nu toch ook wel gaan? Zo was altijd alles in mijn leven gegaan. Het kwam altijd allemaal op zijn pootjes terecht.

Ik keek onderweg naar het briefje en ik zag dat er twee adressen op stonden. Eén van het ziekenhuisonderdeel waar ik de test zou kunnen doen en één van een soort praatgroep of zoiets. Alsof het al zeker was dat ik HIV had! Stiekem had de dokter mij tot ongeneselijk patiënt verklaard!

“Niks aan de hand”, lachte ik zo luchtig mogelijk toen ik Jeltje een zoen had gegeven bij thuiskomst.  ” Die plekke komen zeer waarschijnlijk van een allergie en daar kan ik een poedertje tegen krijgen en…een zalfje.” Het leek alsof ze mijn stille stress niet opmerkte. ” O, wat heerlijk”, zei ze vrolijk. ” Ik heb lekker gekookt.”  En het was lekker, boeuf bourguignon. We aten dat wel vaker maar deze keer leek het nog beter te smaken dan anders. Het werd een mooie avond en toen ze me later in de slaapkamer probeerde te verleiden, ging ik er met volle energie op in. Het was lang geleden, dus er moest veel worden goed gemaakt.

XI

Waarom weet ik niet maar iets bracht me ertoe razendsnel ene afspraak te maken voor die test.Misschien was het mijn gevoel dat me zei dat er gewoon niets aan de hand was. Misschien waren er de onschuldige ogen van Jeltje, nou ja ondeugend maar toch onschuldig. Ik wilde gewoon horen dat er niets aan de hand was en dat moest zo gauw mogelijk gebeuren. Ik wist zeker dat het allemala op een grote vergissing berustte en dat zou er dan al gauw uitkomen.

Het was trouwens pas op de ochtend van de dag van de afspraak dat Jeltje ernaar vroeg. ” Ga je die test nog doen?”  vroeg ze. ” Dan zijn we er tenminste af, dan weten gewoon dat er niets aan de hand is.”  Om de één of andere reden had ze dat beter niet kunnen zeggen. Het klonk mij te zoetjes, alsof er meer was, alsof ze meer wist dan ik. ” Ik ga het vandaag doen, over een uurtje”, zei ik zo losjes mogelijk alsof het me eigenlijk niet zoveel kon schelen. Jeltje reageerde lauwtjes: ” O, nou, zal ik meegaan?”  Normaal gesproken zou ze gezegd hebben. ” O, maar dan ga ik mee.”  Maar nee, deze keer was ze afhoudend, hopend op een ontsnappingsmogelijkheid.  Ik schudde mijn hoofd. ” Nou nee schat, het is maar een test en die is zo voorbij. De uitslag komt later. Dan…mag je mee.”

Of ze echt verbleekte bij die gedachte,weet ik niet meer maar ze schrok wel. We wasten samen af want we hadden altijd een bloedhekel gehad aan een afwasser. Afwassen hoorde voor ons tot het dagelijks praatcontact alleen deze dag wilde het gesprek niet vlotten. We waren veel teveel met onze eigen gedachten bezig rond het hele ranzige idee dat er iemand van ons besmet zou zijn met HIV en hoe dat dan zou komen. De stilte bleef haast ijzig hangen tot op het moment dat ik de deur uitging voor de test…ja ze kon me moeilijk tegenhouden. Dan zou ze de kans lopen dat ze door mij besmet werd of in elk geval de kans daarop lopen, zo hoorde ze te denken. Dus nee…hoe je het ook wendde of keerde…ze moest me naar die test laten gaan.

Het was ook opmerkelijk dat ik gewoon, snel en ontspannen naar het ziekenhuis fietste. Mijn gedachten gingen zelfs met me op de loop en de gedachte kwam  toen voor het eerst in me op om over mijn ervaringen een boek te schrijven. Niet dat ik ooit eerder aan schrijven had gedacht maar nu leek mijn leven zo’n bizarre wending te nemen dat ik er wel wat in zag. Schrijven over je eigen, dramatische ervaringen, daar stond de hele Nederlandse boekenkast toch vol mee? Dit zou zeker aanslaan als verhaal al aarzelde ik nog wel even over het taalgebruik.

De weg ernaartoe ging snel en in het ziekenhuis was ik voor het eerst van mijn leven onmiddellijk aan de beurt. Ik had nog de neiging om aan de zuster te vragen of alle andere klanten waren overleden maar uiteindelijk eet ik op het puntje van mijn tong. Ik besefte dat de reden van mijn bezoek niet meteen uitnodigde tot veel humor. De zuster leek mij ook steeds verwijtend aan te kijken alsof ze al wist wat de uitslag was en wat daarvan de oorzaak was. Ik had gelijk, het zijn altijd de mannen die in dit soort gevallen overal de schuld van krijgen. Ik berustte in mijn lot en liet alles passeren in ene gelatenheid die past bij de stervenden.

Achteraf vond ik het vermoeiend. Dat was de stress die mij stiekem toch behoorlijk te pakken had genomen. Vermoeiend zo’n onderzoek en zelfs zo vermoeiend dat mijn libido in elk geval voor die dag een behoorlijke knauw had opgelopen. Het zou die avond niets worden. Toen ik thuiskwam, was Jeltje weg, ze had kennelijk niet op me kunnen wachten. Natuurlijk wist ik nietwaar ze heen was maar het ergste was het lege huis waar ik in kwam. Ik voelde met nutte- en energieloos…ik zakte op de bank onderuit en klikte de tv aan…Boer zoekt vrouw, herhaling…het kon me niet schelen en bleef kijken.

Pas twee uur later kwam Jeltje thuis. Ze zag er opgewonden uit, alsof ze een heftige ontmoeting had gehad. ” Alles goed gegaan?”  vroeg ze hijgerig. “Nog wel”, bracht ik uit en ik merkte dat het me moeite kostte om die woorden sterk en gearticuleerd te laten klinken. Ik voelde me intens moe. ” Wanneer heb je de uitslag?”  Ik rommelde wat met een hand in mijn broekzak en bekeek een papiertje dat nu helemaal verfrommeld was. ” O, eigenlijk hoef ik me daarover geen zorgen te maken want de dokter gaat me bellen.”

Die avond viel de grote stilte in. Het leek wel of Jeltje niet meer wist wat ze tegen me moest zeggen, van tijd tot tijd dook ze weg achter haar boeken, de stofzuiger, de was en zelfs achter de kat. Het was ongewoon in ons huis waar altijd vrolijkheid en jubel hadden geheerst. Nu was er van al dat leven weinig meer over en als het klopte met de HIV, dan zou het nog erger worden. Het was benauwend voor mij, de hele dag te leven onder de druk van die test. De uitslag leek nu een donkere wolk die langzaam naar ons toe dreef en hoe dichter de dag van de uitslag nabij kwam, hoe zwaarder en hoe drukkender het werd. Alle voortekenen van een hevig onweer waren aanwezig. En dan inderdaad…op een ochtend om kwart voor negen ging de telefoon…bij de zesde keer had ik het ding te pakken en ik luisterde….

XII

heb nooit geweten dat je hersens verdoofd konden worden maar het kan. De klap kwam harder aan dan ik verwacht had…gewoon op zo’n doordeweekse dag, ochtend eigenlijk, in de wetenschap dat er nog mensen in de wachtkamer zitten. Ik zat daar maar op die stoel, te staren naar het papier waarop de uitslag was weergegeven. HIV!

Welke gedachte er door mijn hoofd ging als eerste? Ik weet het echt niet meer, geen denken aan. Volgens mij was het gewoon: “Dus toch”  maar dat was geen acceptatie ofzo, het was een soort opvangen van de schrik. Een schokbreker in mijn hoofd. Het hielp natuurlijk niets en ik zat voor mijn gevoel wel ene uur met geboden hoofd aan het bureau van de dokter. Ik hoorde zijn stem ergens in de verte zeggen: ” We moeten nu kijken hoe we de gevolgen in de hand kunnen houden.”

De gevolgen? Ik wilde daar niet eens over denken. De gevolgen. Waren er gevolgen? Ik wist alleen dat ik daar zat aan dat bureau met het bericht dat ik HIV had en dat ik dus gewoon een dreun voor mijn kop had gekregen. Daar zaten geen gevolgen bij..of het gevolg moest zijn dat ik geen woord meer kon denken, laat staan uitbrengen.

De dokter keek mij onderzoekend aan zonder iets te zeggen maar ik begreep dat het niet lang kon duren op die manier. Voor hem was er meer te doen, voor mij niets…nee, waarom zou ik nog iets doen? Ik kon me hier laten wegdragen of naar huis laten brengen en dan nog…er zou niets veranderen. Er hing een ijzige stilte in de spreekkamer en ik was niet in staat die te doorbreken. Ik voelde hoe een handvol woorden zich opzamelde achter mijn tong en tanden en geen weg naar buiten kon vinden omdat daarvoor nu eenmaal een bepaalde volg-orde nodig is. Die was er niet. Mijn woorden waren in paniek, niet ik …mijn woorden wel.

“Voorlopig geef ik u dit mee”, zei de dokter langzaam en hij legde een briefje over, ik vermoed dat er een recept op stond en misschien wel een praatgroep. ” Er is heel veel te verhelpen aan de situatie”, ging hij verder. “Het is zelfs mogelijk dat het virus niet tot uitbarsting komt en dat u er nooit last van zult hebben of pas heel laat. Het is goed om de ontwikkelingen te blijven peilen en…om te kijken of u bepaalde ziektekiemen onder de leden heeft.”

Ik walgde, ik walgde dubbel, van de dokter en van de briefjes en van de spreekkamer en van alles. Plotseling sprong ik overeind, griste de briefjes van het bureau, propte ze in mijn zak en rende de kamer uit. ” Ik heb aids”, schreeuwde ik op de gang en keihard in de wachtkamer. ” Ik heb aids mensen, eindelijk is het zover. Gerechtigheid, zegt hij…”  en ik wees in de richting van de spreekkamer. Ik nam de moeite niet om te wachten op de reacties van de andere patiënten en rende de deur uit en jubelde: ” Ik heb aids, ik heb aids, God heeft me uitverkoren.”

Meteen daarop sprong ik op mijn fiets en ik reed fluitend naar huis. Nog nooit eerder had ik zo hard gefloten op straat…iets van Santana of nee…Too much love can kill you, van Queen geloof ik, ja van Queen…” Gek hè, zou het toevallig zijn dat die song op dat moment mijn mond uitkwam. Maar wel fluitend hè, want de woorden stonden nog steeds in de verkeerde volgorde.” Ik kwakte mijn fiets met een haast perfecte boog tussen de andere rommel in de schuur,sloeg de deur dicht  en stapte met grote passen naar binnen. ” Schat, ik heb HIV”, riep ik zo hard mogelijk….  Er kwam niet direct antwoord maar het duurde niet lang of ik hoorde gestommel op de trap en de kamerdeur vloog even later wagenwijd open. Ik herhaalde mijn zin in hetzelfde volume en ik zag hoe Jeltjes mond openviel, hoe zij duizelde. Ik voelde de neiging in me opkomen om haar op te vangen en…ik deed het ook. Ze viel voorover in mijn armen, sloeg haar armen om mijn nek en barstte uit in snikken. Maar toen gebeurde er iets geks. Ze worstelde zich los en keek mij verwijtend aan. ” Hoe kun je zo stom zijn geweest?”  vroeg ze. Haar laatste tranen werkte ze weg met een simpele handbeweging. ” Hoe kon je zo stom zijn” herhaalde ze en het verbaasde me nog dat ze nie stampvoette.

Nog nooit eerder had ik het gevoel gehad tegen een vreemde te praten en naar een vreemde te kijken maar nu veranderde Jeltje voor mij in iemand die ik niet kende. Opnieuw haperden mijn woorden maar dit keer niet omdat ze paniekerig voor mijn tanden hokten. Nee, ze werden tegengehouden door woede want één ding wist ik zeker: IK was niet de bron van de ziekte in huis. Maar ja, hoe zou ik dat duidelijk kunnen maken? Natuurlijk, er waren technieken voor en natuurlijk, als er één was die het wist, dan was het Jeltje maar voor al die overpeinzingen en gedachten had ik nu geen tijd. ” Ik ga op de zolderkamer slapen”, zei ze briesend en met grote stappen liep ze de trap op, mij achterlatend met het gevoel van leegte en ijzige kou diep in me…

XIII

Nooit eerder was het huis zo leeg geweest als die ochtend. Zeker,z e stond in de keuken te drinken uit een pak sinaasappelsap maar de lieve ogen, haar naar mij toe gekeerde gezicht, haar strelende armen, haar verlangen naar mij…het was allemaal weg. Ik voelde me kapot en moe en hoewel ik de laatste jaren als een gek had gewerkt, kwam er nu niets uit mijn handen. Ik kon mij er zelf niet toe krijgen om naar mijn werk te gaan. Het was alsof mijn benen niet meer konden bewegen, alsof ze verlamd waren.

Omdat ik ook honger had, ging ook ik naar de keuken maar er veranderde niets. Jeltje keek niet naar me en lette niet op me totdat ze plotseling het uitkrijste. ” Als jij niet altijd met die vreemde vrouwen aan de scharrel was geweest, als jij niet altijd alleen maar aan het werken was geweest, dan had alles nog geklopt. Godverdomme, je lijkt mijn vader wel, die man die nooit thuis was maar altijd op pad tussen vriendin en bureau…”  Ze haakte met twee handen aan de rand van de aanrecht en hing voorover en huilde op ene manier die het meest deed denken aan het gegil van een varken dat ter slacht ging. Mijn hart bonkte intussen zwaar in mijn keel die al op slot zat door alle woorden die ik niet kon uitbrengen. Het leek of mijn hoofd op springen stond. Ik wilde wat zeggen maar toen was ze weg…twee deuren denderden dicht en weg was ze…godmagweten waar naar toe. Later vond ik haar terug, in elkaar gekrompen met haar rug tegen de badkamerdeur.

Nadat ik twee keer voor niets naar boven was gelopen, besloot ik toch maar “gewoon”  aan het werk te doen, nog net voordat ik de laatste kans had gehad om af te bellen. Maar mijn God, wat een drama, wat een dreun…ik merkte met elke stap hoe ik volslagen van mijn spoor af was. Het kostte me daadwerkelijk moeite om de weg naar het kantoor te vinden en reed anderhalf blok om voordat ik merkte dat ik verkeerd zat. De grote architect van het bureau zag mij binnenkomen en wilde me ,. geloof ik, goeiemorgen wensen maar toen hij mijn gezicht zag, slijkte ghij die woorden maar in. Er was de hele ochtend niemand die iets tegen me zei en ik moet zeggen: dat beviel prima.

Aan het einde van de ochtend kwam de vraag of ik naar huis zou gaan. Dat trok me wel aan want er zou niemand zijn en…op het werk blijven zou mij verplichten tot gesprekken met anderen. Ik trok dus mijn jas aan toen Michael, mijn beste vriend op kantoor, me aansprak. ” Waar ga jij heen? Je blijft toch altijd hier, tussen de middag?”  Ik keek hem wazig aan en iets in zijn ogen gaf me een schok. Zo zou de man waarmee Jeltje het gedaan had, er dus uit kunnen zien. ” “Ik moet even weg”. mompelde ik. “Zie je zo weer.” Waar ik heen ben geweest? Ik kan het niet eens meer vertellen, misschien wel naar de cafetaria om de hoek, om me vol te proppen met kroketten enzo…geen idee. Het zou best kunnen want ik kwam kotsmisselijk op mijn werk terug. Daar zag ik Michael weer en opnieuw probeerde hij me aan ta spreken maar ik maakte duidelijk dat ik geen tijd had.

Toen de avond naderde zwoegde ik me naar huis en daar was niemand. Ik vroeg me af waar Jeltje was maar aan de andere kant, een leeg huis was beter dan een gestorven liefde. Het was niet alleen mijn lieve vrouw die ik kwijt was. Het was ook de mislukking van de vlucht uit het afschuwelijke dorp Deurne. Het leek alsof we het allemaal voor niets hadden gedaan. Het samenspannen, het weglopen en leven van de lucht in het begin  en toen het opbouwen van een eigen leventje.

Het waren precies die zinnen waarmee Jeltje de kamer binnenkwam, willekeurig gemengd met verwijten in mijn richting… En ineens wist ik het zeker, zo ging het niet langer…we moesten zeker weten waar de ziekte vandaan kwam, wat de bron was. Leven in deze sfeer van verdachtmakingen, nee, dat ging niet meer….

XIV

De dokter kijkt mij onbegrijpend aan. “Wat wilt u? Opsporen waar deaandoening vandaan komt, precies weten wie de oorzaak is?”  Hij kijkt even somber voor zich uit. ” Nee, dat is niet mogelijk. We kunnen aan de besmetting niet zien waar ze vandaan komt. Het is alleen maar mogelijk een onderzoek naar contacten te doen. ”

Daar zit je dan…dan moet de ander dus eerlijk zijn in het opgeven van de contacten. Dat wordt ene lange strijd. ” Maar kan het zijn dat iemand met HIV daar heel lang niets van merkt?” vraag ik. De dokter knikt. ” Dat kan ja, u bent er zelf een voorbeeld van. Het zit er al enige tijd. Pas als het uitmondt in aids, komen er gemene symptomen naar voren. Het kan ook zijn dat het nooit zo ver komt.”  Ik hoor de woorden van de dokter onbewogen aan maar in stilte  maakt de paniek zich meester van mij. Hoe zal ik kunnen aantonen dat ik niet de oorzaak ben? Ik kan wel zeggen dat ik geen vreemde contacten heb gehad maar wie zal mij geloven? Ik weet niet of ik dit met de dokter moet bespreken. Er bekruipt mij het vreselijke gevoel dat ik trucs en kunstjes moet gaan hanteren of dat ik intriges moet opzetten om de waarheid boven water te krijgen. Ik voel er weinig voor om daar mijn huisarts te betrekken. Aan de andere kant…wie dan wel?

Eenmaal thuis vind ik haar uitgeput en misselijk in haar stoel. Ze voelt zich de hele middag al zo, zegt ze maar daar blijft het dan ook bij. Jeltje lijkt het praten met haar man te zijn afgeleerd. Ons kind merkt inmiddels nauwelijks iets van. Die merkt stilte, misschien ongewone stilte maar geen drama, geen spanning.  Nog niet want het wachten is natuurlijk op de eerste, echte emotionele uitbarsting. De aanvang van de oorlog, van de verwijten en beschuldigingen. Die zullen elkaar op een goed of liever “slecht”  moment gaan kruisen en ontmoeten. Dan is er voor het kind ook een beroerde tijd aangebroken. Gek eigenlijk dat zoveel verschillende gedachten in zo’n korte tijd kunnen passeren.

Ik schuifel als een soort zombie door de kamer. Plotseling komt er een onverwachte gedachte in me op. Als ze vreemd zou zijn gegaan, had ik het nog niet eens zo erg gevonden. Maar dat ze HIV voor me verzwijgt…dat snap ik niet…dat begrijp ik helemaal niet. Ik merk dat tranen zich aandienen aan de binnenkant van mijn oogbol en op een goed moment zullen ze naarbuiten moeten.  Vroeger kropen we dicht, zo dicht mogelijk, bij elkaar en dankregen we het lekker warm en dan rook ik haar geur… Nu zoek ik  een hoekje aan het andere uiteinde van de kamer en we spreken geen woord tegen elkaar. Het is een ongewone ervaring, dat zwijgen. Dat doet extra pijn omdat we allebei eigenlijk vol zitten met woorden, we willen zoveel zeggen en toch…ik weet dat het bij haar ook zo is.

Gek is dat, ik weet het en ik vind het niet leuk voor haar maar een echt gevoel heb ik er niet bij. Het gevoel zit helemaal diep in mij verscholen en het lijkt weel of ik alles in mijn  lijf dubbel voel. Mijn gevoel houdt zich alleen nog maar met mijzelf bezig.  Ik wring mijn lichaam in allerlei houdingen die eigenlijk heel onhandig zijn in mijn stoel. Ik voel zelfs hoe mijn rug en gewrichten zeer gaan doen door de houding die ik aanneem. Het lijkt wel of ik me er behagelijk bij voel, bij die tothouding maar dat duurt natuurlijk niet lang. Ploseling sta ik op. “Kom, ik ga naar bed.” Slungelachtig en achteloos beweeg ik me door de kamer, ik peins er nog even over ~Jeltje een nachtzoen te geven maar nee…ook dat zit er niet meer in…ik ga…

XV

oos? Was ik boos? Heel alleen in mijn bed in het holst van de nacht schoot die gedachte door mijn hoofd en op een keer werd ik er wakker van. Was ik boos? Ik woelde en draaide in bed en krabde op plaatsen waar ik graag kwam en op plaatsen waar ik graag mijn vrouw liet komen. Het maakte me alleen maar onrustiger en de vraag bleef me bezighouden.

Slapen deed ik dus niet meer en het klamme zweet begon me zelfs uit te breken. Ik zag onze eerste stappen in Deurne, de allereerste afspraak en het gedoe met de fiets. Ik zag het afgrijselijke gedrag van sommig bezoek bij ons thuis en ik zag de verlossing op onze eerste kamer. Het was wel opmerkelijk dat ik op geen enkel moment tranen in me voelde opwellen terwijl ik me toch heel eenzaam voelde. Eenzaam en koud, zo koud als ik me zelfs in de winter daarvoor niet had gevoeld en…het hielp niet om de verwarming hoger te zetten. Ik bleef het koud hebben. Om een beetje op temperatuur te komen begon ik heen en weer te lopen door de kamer, met sloffen aan en van tijd tot tijd leek het of mijn voeten warm werden.

Zo merkte ik niet hoe heel zachtjes de deur van mijn slaapkamer openging. Ik had het pas door toen er ene lichtstraal in de kamer naar binnen viel. Ik wilde me omdraaien maar het was al te laat. Jeltjes handen gleden over mijn schouders en ze fluisterde in mijn oor. ” Heb je het ook zo koud en kun je daardoor ook niet slapen?” Ik had de kracht niet om er tegenin te gaan en “nee” te zeggen. Haar handen lieten weer warmte in mijn lichaam vloeien zoals dat altijd was geweest. Zoals ik dat kende en het voelde precies zo aan als vroeger. Ik merkte hoe heel mijn weerstand en de opgebouwde weerzin wegtrokken en hoe ik alleen maar weer meer zin in haar kreeg. Even schoot het door mijn hoofd: wat maakt het uit als we allebei met HIV besmet zijn? Er kan dus niets meer gebeuren.”

Of zij er zó diepgaand over na had gedacht, dat heeft ze mij nooit verteld maar ze leek geen remmingen te hebben. Integendeel, het liefdesspel was heftiger dan ooit tevoren en ik raakte al gauw de tel kwijt bij het aantal krassen op mijn rug. Hoelang het duurde weet ik ook iet meer maar ik weet zeker dat we in slaap vielen toen de kat begon te mauwen om naar buiten te kunnen.  En voor het werk was het ook slecht, we hebben ons ziek gemeld en zijn toen weer samen in bed gekropen. Pas tegen het avondeten zijn we eruit gekomen. Arme kat, het dier was doorweekt!

Ik weet niet meer hoe ik me die avond voelde maar het gekke was dat we weer ieder in een hoek van de kamer kropen. Zo nu en dan leken we elkaar niet meer dan schuwe blikken toe  te werpen. Daar zaten we weer, ieder met onze eigen gedachten en tegelijkertijd met die heerlije herinnering van de afgelopen nacht en dag in het achterhoofd…en toch…kon ik ook die avond niet meer opbrnegen dan ” slaap lekker”. Toen liep ik weg.

Het bleef zo, we waren stil en we vreeën en hartstochtelijker vaak dan in de maanden daarvoor hoewel je je dat toch bijna niet voor kon stellen. Zo ging dat veertien dagen lang. Plots kwam er een dag, een dinsdag dat we uitgeblust en bekaf waren. We gingnen naar ons werk en ’s avonds thuis aten we zwijgend samen aan tafel. Als iemand van buitenaf naar binnen had gekeken, zou het er bijna normaal hebben uitgezien. Maar het was niet normaal en ik begon me af te vragen of er niet iets echts moest gebeuren, iets dat hout zou snijden.

Die nacht sliep ik weer niet maar het was niet Jeltje waaraan ik dacht en ook de slaapkamerdeur ging niet open. Ik lag me helemaal suf te piekeren over een oplossing van het probleem. Natuurlijk, ik kon het nog steeds niet hebben dat zij deed alsof ik de oorzaak was van de HIV-besmetting. Maar verder dan, wat moest je doen? Scheiden? Zou dat iets oplossen? Wie zou zich daar gelukkig bij gaan voelen? We waren allebei ziek, of we liepen kans op een zware ziekte en ging het ons dan helpen om daarover ruzie te maken?

XVI

Een dooie boel was het al dagenlang want al die vrijpartijen waren natuurlijk al weer voorbij. Ik denk dat Jeltje verzadigd was en ja…ze keek me alleen nog maar afwachtend vanuit een hoek van de kamer aan. Soms knauwde ze daarbij op haar vingernagels en van tijd tot tijd stond ze op om een kop capuccino te maken. Het waseen soort schaduwspel want ik merkte dat ik niet veel anders deed. Nou ja, ik was wel in een boekje gedoken en had niet eens in de gaten waar het over ging. Pas na drie dagen merkte ik dat het vol stond met ervaringsverhalen over emigratie. Ja, emigratie, misschien was dat wel de oplossing. Beginnen aan een totaal nieuw leven.

Nou, dat totaal nieuwe leven want op ene goeie dag kondigde Jeltje aan dat haar zusje een week zou komen logeren. Froukje was nog nooit eerder bij ons geweest als logé en ik kon me zelfs niet herinneren dat ze op onze verjaardagen was geweest maat uitgerekend middenin deze crisis kwam ze logeren. Nou, het zou me een gezellige logeerpartij worden. ” En heeft ze dat helemaal alleen verzonnen?” vroeg ik snel, het was eruit voordat ik het wist. ” Ja, ze vond dat het tijd werd”, antwoordde Jeltje gauw maar ik kon aan haar stem horen dat ze niet van plan was de details van het idee verder uit de doeken te doen. ” Mooi zo, ja, tijd wordt het zeker”, ik bracht het er geeuwend uit, een vorm van gedrag die te maken had met de stress die de hele situatie bij mij opriep.

De stilte viel nog meer op nadat we dat allemaal hadden gezegd. ” Ze komt morgenmiddag”, voegde Jeltje er nog aan toe maar ik voelde in geen enkel opzicht behoefte om daarop te reageren. Een zure buikpijn kroop in mij omhoog omdat ik het gevoel had dat Froukje onmiddellijk mij de schuld zou geven van de situatie. Ze zou sowieso in eerste instantie worden ingelicht door haar zusje dus Jeltje lag al een paar meter voor. Daar kwam bij dat iedereen altijd in eerste instantie de schuld aan de man gaf in dit soort situaties, dat was nu eenmaal gebruikelijk, overal en dus ook in onze buurt en familie. Kortom, ik zou maar beter mijn mond kunnen houden en me verder verdiepen in het boekje over emigratie. De verhalen begonnen mij steeds meer aan te spreken. Zo’n emigratie naar Brazi;ië bijvoorbeeld en dan de hele dag aan het strand hangen. Hoe zou de gemeenschap daar op HIV reageren? Niemand gebruikte er immers een condoom?

Ik hoorde dan ook nauwelijks de deur opengaan toen Froukje de volgende dag de kamer binnenkwam. ” Hallo allemaal”, riep ze vrolijk. Het klonk alsof  ze nog niets had gehoord over de crisis in ons huis. Des te beter, dan was ze nog te beïnvloeden en…ik had een voordeel. Froukje was in stilte gek op mij, dat wist ik.  Ze was wat minder uitbundig en opgewonden dan Jeltje, echt het oudere zusje alles was wat bedaagder. Froukje was, of is, wel een mooie meid met fel blond haar en heel lichtblauwe ogen. Ik begon zelfs op te veren toen ik haar zag. Ze kwam meteen met grote passen naar me toe en gaf me drie dikke kussen. Eigenlijk moest ik haar dus als eerste “bewerken”.  “Luister eens Froukje”, begon ik….maar ze zwaaide heftig met haar paardenstaart.” Ik weet het al, je wilt liever niet dat ik hier logeer.”

Ik haalde mijn wenkbrauw op. ” Hoe kom je daar nu bij, ik ben juist hartstikke blij dat je er bent…. ”  Froukje keek mij onderzoekend aan. ” Wat is er? Is er iets?”  Ik voelde mij onzeker worden maar als ik haar als eerste wilde spreken over de problemen, dan moest ik nu toeslaan. Hoewel…op dat moment ging de kamerdeur opnieuw open en Jeltje kwam binnen. ” Zusje!” schreeuwde ze uit. ” Ben je er al?”  De twee vlogen elkaar in de armen en ondanks alles vond ik dat een ontroerend gezicht. Heerlijk,  twee mensen di zo onbevangen dol op elkaar waren. De onbevangenheid stierf in de loop van de middag wel wat weg omdat het duidelijk was dat Jeltje en ik niets gezamenlijk deden.

Afluisteren mag natuurlijk niet maar ik hoorde de zussen in de keuken met elkaar praten en ik kon het niet laten om even te luisteren. “Maar hoe is dat nou toch mogelijk?”  vroeg Froukje. De stemmen werden nu nog zachter en ik kon door de keukendeur heen en om de hoek niet goed horen wat ze zeiden totdat Froukjes stem uitsloeg: “Meid, hoe heb je dat kunnen doen?”  Onmiddellijk hoorde ik Jeltje sissen dat haar zusje stil moest zijn maar de wooreden die daarop volgden hoorde ik ook nog. ” Ik weet me geen raad, ik weet niet hoe ik hier uitkom.”

Met een klap sloeg ik de deur van het toilet dicht om duidelijk te maken dat ik in de buurt was met een geldige reden. Daarna stapte ik door de gang. In de keuken stokten de stemmen even. Meteen daarna gierden de twee het uit van het lachen. Was dat ene gezamenlijke poging om mij een gevoel van eenzaamheid te bezorgen? Was dat een paranoïde gedachte? Ik stapte door en liep terug naar de woonkamer maar ik merkte hoe een zware hoofdpijn zich meester begon te maken van mij.  Hoofdpijn omdat ik het gevoel kreeg dat ik niemand meer kon vertrouwen, ook niet mijzelf.  Lusteloos zakte ik in de stoel waar ik nu al dagen in had gehangen en gezeten. Ik begon mij af te vragen waar dit moest eindigen. Hoe kon hier een einde aan komen?

XVII

Levendig, dat was het wel. De twee zusjes fladderden om elkaar heen en hielpen elkaar met alles wat je maar bedenken kon en tussendoor was er natuurkijk gefluister. Gefluister om te zorgen dat de heer des huizes maar vooral niets horen zou. Een zieke situatie. Eén van ons zou nu toch eens een keer een eind moeten maken aan dit idiote spel?

Het was achterin een woensdagmiddag toen Jeltje bekendmaakte dat ze nog even een boodschap moest doen en dat ze zoooo terug zou komen. Zo zei ze dat: “Zooooo”……  Ik had niet het idee dat het echt iets betekende en zuchtte alleen ene beetje in de hoop dat er gewoon van buitenaf iets zou gebeuren dat alles veranderde.

Het bleef een half uurtje doodstil in de kamer en ik kreeg net het idee dat Jeltje zo wel terug zou komen toen Froukje heel dicht bij me kwam zitten en eerst ene paar onverstaanbare woorden uitstootte. Ik kon er niets aan doen maar moest gewoon weg vragen wat er aan de hand was. ” Ik ben HIV besmet”, zei ze deze keer iets gearticuleerder. Ik keek haar ongelovig aan maar kon niet nalaten te vragen: ” Durf je daarom zo dicht bij me te zitten?” Froukje grijnsde. ” Ik denk het wel”, zei ze. ” Ik heb gehoord dat jij het ook bent. Wete je, ik heb ongeloooflijke zin in een neukpartij met je maar dat zou ik niet durven als ik nergens last van had.” Hte klamme zweet brak me uit…ja, het was natuurlijk een nieuwe manier van kijken naar de vrijerijen…alleen nog met iemand anders die ook HIV-besmet was….  ” Volges mij is Jeltje ook HIV besmet…”   zei ik hakkelend. Froukje keek me met grote ogen aan. ” Ze heeft AIDS”, fluisterde ze terwijl haar lippen de mijne zochten.

Het was de eerste keer sinds ik Jeltje kende dat ik het deed met een andere vrouw. Nooit eerder had ik het zelfs maar geprobeerd. O ja, wel eens gewild maar nooit iets geprobeerd zelfs maar. Terwijl ik me tevredenstelde met de ongekend harmonieuze golfbeweging die ik met Froukje beleefde, bleef het woord “AIDS”  achterin mijn hoofd hangen. Het stoorde niet en ik vrijdde met Froukje eigenlijk beter en leuker dan met Jeltje maar het woord verdween ook niet naar de achtergrond. Het woord miste zijn uitwerking niet want ik realiseerde me dat ik er altijd nog beter aan toe was dan mijn vrouw.

Toen we lagen uit te hijgen, was Jeltje nog steeds niet thuis. “Ze blijft expres wat langer weg”, lachte Froukje. ” Ze doet het voor jou.”  Ik knikte met een verdrietig gezicht. ” Jaja, dat zal wel…ze doet alles voor mij. Is ook voor mij vreemd gegaan…”  Froukje nam eem stevige hap in mijn lid en gronde. ” In zekere zin wel, het was niet meer dan een ingeving, een moment, een moment van onnadenkendheid…en dat werd meteen bestraft.” ” Maar waarom deed ze dan net alsof ik de oorzaak van de ellende was?”  Froukje schudde haar hoofd. ” Zullen we het even niet over Jeltje hebben? Hebben wij het niet heel goed?” vroeg ze en opnieuw deed ze een anaval op mijn middengebied.

Die middag deden we het vier keer achter elkaar totdat we totaal uitgeput waren en niets anders meer konden dan uitgestrekt op de laminaatvloer liggen. Jeltje was nog steeds niet thuis en ze zou vermoedelijk ook nog lang wegblijven. Ik durfde niet opnieuw over mijn vrouw te beginnen en friemelde nu gezellig met Froukjes haar, beet in haar schouder en streelde haar tepels…van tijd tot tijd giechelde ze maar meestal lag ze doodstil met haar ogen dicht. Ze hikte een enkele keer maar dan zei ze geen “hik”  maar “hiv”. Eerst dacht ik dat ze opd ie manier ene gesprek wilde beginnen maar dat was het niet. ” Ik heb het me aangewned”, zei ze halflachend, ” sinds ik hiv heb. Niet leuk maar wat moet je? Hele dagen treuren, dat kan ik niet. Dat deed mijn vader altijd en vooral mijn moeder. Wat hebebn die veel getreurd.”

Ik grijnsde. Treuren! Nee, dat zat bij mij ook niet erg in de aard al kon ik wel heel diep verdrietig zijn maar dat duurde altijd maar even. Het was gek…we staarden allebei zielsgelukkig naar het plafond en zo bleven we liggen. Hoelang we daar gelegen hebben, weet ik niet meer maar het was al lang donker toen ik wakker werd. Froukje lag nog steeds op dezelfde manier naast me en sliep. Ik vroeg me meteen af of Jeltje al thuisgekomen was en ons zo had aangetroffen maar de moed om naar boven te gaan en in de slaapkamer te kijken, die had ik niet. Ik had in elk geval door dat Jeltje ons geen van beiden met ene mes of ander wapen had bewerkt…

Langzaamaan begon ik me aan te kleden toen ineens ene stem vanuit het duster zei:” Nee, dat hoeft toch niet meer. We kunnen nu toch gewoon naar bed gaan om te slapen?”  Het was Jeltje die klaarblijkelijk aan ons hoofdeinde had zitten wachten. Ik hoorde hoe ze een stoel opzij schoof en opstond. ” Kom”,z ei ze. ” ik neem aan dat Froukje je allang heeft verteld hoe het met mij zit.”  Ze gaf me een hand en troonde mij mee naarboven. ” We gaan naar bed…

Ik liet me die avond volledig willoos meesleuren naar boven en bedacht me of je zelf ook AIDS had als je had gevreeën met ene vrouw die AIDS had. Of bleef het gewoon bij de HIV aandoening? Eigenlijk kon het me niets meer schelen….

XVIII

Ja schat, ik weet het maar ik kan nu echt even niet weg. Ik heb hier een centrale taak. Ze zitten hier in een crisis en ik moet die helpen oplossen. Ik doe het voor mijn zusje.”  Even zweeg Froukje aan de telefoon maar het rood in haar gezicht werd weer steeds feller. ” Ja, die ja, dat is mijn zusje, die andere dochter van mijn ouders, die meid die jij nog mooier vond dan mij…”>  Weer valt er ene stilte en weer loopt het rood op.” Nou ja, dat heb je wel een keer gezegd. Stom eigenlijk van je, hè? ” Hetw erd mij steeds duidelijker dat Froukje en haar man, die godbetert Berthold heette, ook in een soort Crisis verkeerden. Ik krabde mij eens achter de oren om te bedenken hoe een vrouw als Froukje in ’s hemelsnaam had kunnen  trouwen met ene Berthold van der Veenmeren…pfff

Ik merkte dat ik voor het eerst sinds tijden mijn hoofd weer kon schudden over iemand anders dan over mijn eigen gezin. Voor mijn gevoel kon die crisis bij mijn zwager en schoonzus nog een veel ernstiger vorm aannemen dan die bij Jeltje en mij. Diep in me voelde ik nog steeds liefde voor mijn vrouw, ja zelfs respect. Hoe het mogelijk was, was een andere vraag want ze had me toch lelijk te grazen genomen. Maar toch…mijn gevoel, ja mijn gevoel leek zo nu en dan wel een eigen leven te leiden. Intussen had ik besloten om gewoon te blijven zitten waar ik zat en met een soort onverschillige houding  te veinzen dat ik niet meeluisterde. Dat was overigens vrijwel onmogelijk want Froukje ging van tijd tot tijd ernstiger te keer dan onze kat als je probeerde een boomtak tussen haar achterpoten vandaan te rukken.

“Nou ja”, haar stem leek nu een beetje op een schorre kermistoeter, “je lost dat geouwehoer maar op, je bent toch altijd zo’n handige, intelligente jongen en goeie vader? Dan heb je deze wat dommige blondine vast niet nodig.” Ik keek even op en zag dat ze gelijk had, ze was blond. Dat was me eerder nog niet zo opgevallen.

Het was wel opvallend hoe stil en zwijgzaam Jeltje het allemaal aanhoorde en ineens drong het tot me door. “Wat maken die twee een ruzie hè?”  zei ik tegen  haar. Ze keek me heel even van achter één van haar prachtige lokken aan. ” Ik ben te moe, veel te moe en alles doet zeer”, zei ze.  Waren dat niet de eerste klachten van een patiënt met AIDS? Ik kon niet voorkomen dat ik een bezorgde blik op haar wierp. Zoals ze er nu bij zat…ik had zo’n verschrikkelijk medelijden met haar, waarom kon je zo wanstaltig veel van iemand houden? Het was toch onlogisch? “Ik ga naar bed”, zei ze zachtjes en met schorre stem. ” Ik houd dit niet vol.”

Ze deed geen lamp uit maar toch leek het of het ineens een stuk donkerder in de kamer was toen ze eenmaal was opgestaan en de deur uit was. Ik keek haar wanhopig na, dat kon ik niet in de spiegel zien maar ik voelde het aan mijn gezicht. Mijn ogen dwaalden even later weer in de richting van Froukje maar die stond op en liep achter haar zusje aan. Ik voelde dat ik me daarin maar even niet moest mengen. Twee zusjes die samen verdriet gingen zitten hebben op de rand van eenbed ofzo….

Mijn  ogen dwaalden de kamer rond. Aan de muur recht tegenover mij stond een grote boekenkast en ik las de titels op de banden. In het verleden had ik de meeste ervan verslonden. Boeken daagden mij altijd uit om zo snel mogelijk door te wurmen. Nu deden ze me niets. Ik had het gevoel dat ik zelf de hoofdpersoon was in een verschrikkelijk en ellendig boek. Ik verweet mezelf zelfs dat ik ooit naar de dokter was gegaan voor die stomme vlekken op mijn voorhoofd. Die waren inmiddels weg trouwens…

Het duurde niet eens zo lang…Froukje kwam de kamer weer binnen maar haar humeur was waarschijnlijk niet opgeknapt. Ze keek nog steeds vooral naar de grond. ” Heb je honger?”  vroeg ze.  Ik bedacht me ineens dat ik de hele avond nog niets had gegeten maar honger, nee, dat voelde ik niet. Ik had niet eens trek in whisky…ik had nergens trek in. Froukje trok voor zichzelf een doos met pizza uit de vriezer en legde die in de oven. “Het gaat nu echt heel slecht met haar”, bromde ze tussen de piepgeluiden van de oven door. Ik wist niets te zeggen als antwoord.We zwegen allebei.

In stilte kropen we naar elkaar toe. Dat ging vanzelf…alsof er een externe kracht was die ons gewoon naar elkaar toe schoof en sensualiteit zat daar niet bij, nee, alleen beweging naar elkaar toe. Het duurde zelfs nog een half uur voordat we tegen elkaar aanzaten en zo zijn we die avond in slaap gevallen. Ik geloof dat het pas drie uur ’s morgens was, toen ik vreselijk moest plassen, dat ik me met moeite uit haar armen losmaakte… Zij voelde zo warm aan, in dit ijskoude huis…

XIX

Opvallend was het ook dat er al een week lang niemand van onze vrienden aan de deur was geweest. Zouden ze de lucht ervan hebben gekregen dat er iets niet deugde in ons huis? Zou die HIV de hele atmosfeer hebben vergiftigd? Het schoot door me heen terwijl ik de ochtend koffie voor ons drieën inschonk. Ja gek genoeg begon het steeds meer op een gezellige commune te lijken, met één kind en een kat die zich allebei wonderwel goed gedroegen.

Froukje had geen last meer van de ongewenste intimidaties door haar man via de telefoon en ze vertoonde ook nog geen enkele aandrang om naar huis te gaan. Over crisis gesproken! Die man zat daar in z’n eentje met werk en kind…nou ja, niet dat ik daar nou medelijden mee kreeg maar het was toch vreemd. Ik had mijn zwager nooit erg hoog gehad. In mijn ogen was hij het voorbeeldtype, het rolmodel van de burgerlul. Maar ja, op de keper beschouwd zaten we nu met z’n allen toch maar lelijk in het schuitje. Als niet-burgerlul kon je kennelijk lelijk bedrogen uitkomen! Dat was de eerste keer dat ik er zo over dacht.

Natuurlijk werden die gedachten onderbroken door een bel…de deurbel. Was dat telepathie? Ik zou het niet weten, hoe dan ook voor de deur stond één van mijn beste vrienden. “We horen zo weinig meer van jullie, ik dacht , ik ga eens kijken”, zei hij. Even moet ik hem stomverbaasd en ontredderd aangekeken hebben want hij schoot in de lach. ” Is het allemaal goed hier?”  vroeg hij. Dat was een stevige vraag in de gegeven omstandigheden en hoe leg je iemand in een paar woorden uit dat je allebei HIV hebt en zelfs AIDS en dat je logé er ook niet vrij van is. Nee, dat hield ik toch maar even voor me hoewel Jeltje net bezig was haar pillen weg te werken. En dus zei ik: ” Ja, alles gaat prima, we hebben ene logé op bezoek, mijn schoonzusje.”

” O, wat leuk”, zei mijn vriend met een knipoogje ook nog en eindelijk had hij gelijk want mijn schoonzusje is een meisje om een knipoog te geven. “Ja”, glimlachte Froukje flauwtjes wat mijn vriend natuurlijk weer een schok bezorgde. Ik kende hem goed en hij is overtuigd van zijn aantrekkelijkheid voor vrouwen. Dat geeft hem wel eens het gevoel dat alle vrouwen hen leuk moeten vinden. Echte macho man dus…. Hij moest eens weten, veel van de ellende waar wij mee te maken hadden was het gevolg van ene beetje teveel macho enzo…  Het nam allemaal niet weg dat hij ook de enorme verzameling medicijnen op tafel zag staan. ” Dat ziet er niet goed uit, horen we daarom zo weinig van jullie. Zijn jullie allemaal ziek?”  ” Nou, we hebben het behoorlijk te pakken”, zei ik gauw. De anderen knikten en keken wat mistroostig voor zich uit.

“Jammer”, zei hij “want we gaan komend weekend met een groep naar een bluesconcert in het Kurhaus, we dachten dat jullie wel mee zouden willen.”  Ik keek hem verrast aan. ” Kun je daar nu nog kaarten voor krijgen?”  Mijn vriend knikte:” Die kun je alleen aan de zaal kopen dus het is een zaak van vroeg zijn.”  Ik kon niet nalaten de twee dames aan te kijken. Zou er nog iets van een activiteit te beleven zijn of waren we allemaal te moe. Veel levensvreugde hadden we de laatste dagen niet gehad dus…

Tot mijn stomme verbazing knikte Jeltje, zij was het meest ernstig ziek van ons allemaal, nu bleek ineens dat ze wel zin had in een feestje. Ik had het gevoel dat wij nu geen nee meer konden zeggen en kennelijk dacht Froukje er ook zo over. “Ik zie dat we meegaan”, zei ik met een wat geforceerde glimlach. Mijn vriend glimlachte nu ook. Misschien verbaasde hij zich er wel over dat ik nog geen biertje had anageboden. Ik hoopte dat hij dat zou onderbrengen bij het hoofdstuk “ziek”.  “Dus dat gaat wel, ondanks de ziekte”?  vroeg hij. ” O ja, hoor”, antwoordde ik snel. “We zijn bezig beter te worden, gezellig met z’n drieën. Dat laatste was als een soort grap bedoeld. Intussen liep ik naar de koelkast waar ik tot mijn grote verrassing nog twee blikjes bier aantrof en een fles witte wijn. ” Samme wat drinken”?  vroeg ik in een wilde bui…

We zaten met z’n vieren aan tafel en eigenlijk vlotte het gesprek heel goed. Ik was dolblij dat er weer eens iemand anders was, iemand die niet tot ons kleine, ongelukkige groepje behoorde. Mijn vriend had inderdaad prachtige verhalen over de afgelopen weken, wat hij allemaal had uitgevreten. Vooral dat laatste was waar, hoorden we want hij vertelde vooral over zijn tochten van restaurant naar restaurant. Jas, mensen die gewoon vakantie hielden, konden zoiets doen.

Toen hij eenmaal de deur weer uit was, werd het heel stil. ” Gaan we dat voor elkaar krijgen~?”  vroeg Jeltje. ” Bij zo’n concert hoort ene opgewonden maar ook ontspannen stemming. Krijgen we dat voor elkaar?”  Ik keek de kring rond…nou ja…ik keek Froukje aan en trok mijn wenkbrauwen op. “Misschien lukt het als we ons best doen energie te verzamelen”, zei ze. ” Vroeg naar bed en niet drinken ’s avonds tevoren.”  Het was een idee…

XX

adden we goed geslapen? Ja, als je alles in ogenschouw nam, al onze zieke lichamen enzo, ja dan hadden we goed geslapen. En om het allemaal een beetje dragelijk te houden waren we nog met z’n drieën in één bed gaan liggen ook. Ik had het geluk de spleet in het midden te mogen bedekken. De dames lagen aan weerszijden van mij. Het was gek maar ik had me zelden zo gelukkig gevoeld, zo rijk, temidden van de beide zusjes. Ik wist dat we bij elkaar hoorden. Mijn armen had ik om hen heen geslagen. Beiden lagen ze met hun gezicht naar mij toe.

In de afgelopen dagen waren mijn kwaadheid en teleurstelling weggeëbt. In plaats daarvan kwam er een gevoel van geluk over me dat ik vroeger nooit had gekend. Het leek wel of er ene heel nieuwe band was gekomen, tussen mij en Jeltje maar ook tussen de zusjes en tussen mij en Froukje. Hoe dan ook, we vonden dat we goed hadden geslapen en meteen na het wakker worden dreigde er zelfs nog een kussengevecht los te barsten maar we beseften plotseling dat daarvoor geen tijd was. We moesten ons klaar maken voor het concert. Gek genoeg aarzelden we nauwelijks. Voor het eerst sinds dagen, weken gingen we weer uit. Na die heel lange tijd binnenshuis moest het een leuke dag kunnenw orden. Zorgen maakte ik me alleen een beetje over Jeltje die wel heel rustig aan zou moeten doen. Ze was zo gauw moe…

Gelukkig had mijn vriend en zijn vriendin aangeboden om te rijden. We hoefden alleen maar achterin de auto te rollen en gezellig te zijn, melige opmerkingen te maken of ons bezorgd te tonen over anderen. Ik hoopte diep in mijn hart dat niemand begon over ziek zijn en het gebruikelijke gejeremieer dat erbij hoort maar daar had ik buiten de waard  gerekend. De vriendin van mijn vriend had een verschrikkelijke benauwdheid te pakken die het gevolg was van een soort bronchitis. Wij deden alle drie ons best om het vreselijk te vinden, vooral vanwege de keelpijnaanvallen die ze had.

Hoe langer de rit duurde, des te erger begon ik me iets anders af te vragen. Als de vriendin van mijn vriend bronchitis had, hoe zou dat dan uitwerken op Jeltje? Haar immuunsysteem moest uiterst kwetsbaar zijn en….zou ze de ziekte niet extra gauw overnemen? Ik keek vanuit mijn ooghoeken naar haar maar zij scheen zich niet bezorgd te maken. Zehad zich zo comfortabel mogelijk genesteld en schreeuwde zo nu en dan mee met een lied. Van tijd tot tijd deed ze ook haar ogen dicht. Ik was bang dat ze nu al verschrikkelijk moe was en het concert was nog niet eens in zicht…

Ik probeerde niet de hele tijd naar haar te kijken en gluurde zo nu en dan ook even naar Froukje. Zonder dat iemand het merkte greep ik haar hand stevig vast en zij liet het toe. Ze reageerde niet eens door in mijn richting te kijken. Ook zij wilde geen argwaan wekken, zo leek het.  Nou ja, een kwartier later keek ze me van opzij aan en gaf ze een knipoog. Wij begrepen elkaar goed, heel goed….

Plotseling ging Froukjes mobiele telefoon. Ze liet mijn hand meteen los en grabbelde zenuwachtig naar het ding. Bijna viel het op de grond toen ze het eenmaal te pakken had. ” Ja”, haarstem klonk uitgesproken knorrig. ” Ja, godverdomme, kun je daar nou niet eens mee ophouden?” schreeuwde ze geïrriteerd door de telefoon. ” Jij bent toch degenen die altijd alles zo keurig en goed op kan lossen? Nu kan je ineens niet meer uit de voeten met een driejarige kleuter. los het even lekker op en ik mom wel thuis als ik er zin in heb. En houd op met dat geslijm want dat maakt me doodziek.” Die laatste woorden kreeg ze er nog zonder haperen uit ook. Meteen klikte ze haar toestel uit en schakelde het ding zelfs helemaal uit. ” Niks meer, ik heb er genoeg van”, haar stemgeluid klonk als geknor ren ze trok zich helemaal in haar hoek van de achterbank terug.

Mijn vriend was geschokt door het optreden van Froukje. Hij keek mij onderzoekend aan maar ik zocht zijn ogen niet. Wat had ik tegen hem moeten zeggen? “Dat klonk niet heel vriendelijk… .”  Hij slikte zijn woorden gauw in toen zijn vriendin hem boos begon aan te kijken en Froukje reageerde niet. Het enige dat zij liet horen was een diepe zucht.

Met een brede zwaai draaide mijn vriend de auto de parkeerplaats op voor de Ahoy…. zoo te zien waren we veel te vroeg want er was nog haast niemand bij de kassa. Dat zat dus mee. Ik pakte Jeltje onder haar rechter arm stevig beet en hield haar gezicht in de gaten. Er was weinig te zien van haar gevoel van vermoeidheid. Met z’n drieën gearmd stapten we fluitend naar de kassa toe. vanuit de entree klonken al de eerste tonen van bluesmuziek. Ik begon nog echt in de stemming te komen ook….

XXI

Meeslepend, zo kon je de sfeer wel noemen in de Ahoy…de aanwezigen hadden inmiddels kans gezien de hele hal te laten geuren naar bier en wiet en daar is vrij veel voor nodig. Mijn vriend en zijn vriendin liepen voorop en meteen daarachter volgde ik met beide zusjes stevig tegen mij aangeklemd met een arm. Het was een  heerlijke belevenis. Vooral ook omdat ik merkte dat uitgaan goed was, goed om te vergeten wat er aan negatieve gevoelens door me heen waren gegaan. Goed om te weten dat vreemdgaan en ziekte niet het einde van de wereld en ook niet het einde van de liefde betekenden. Integendeel, het werd steeds duidelijker hoe erg wij alle drie aan elkaar verbonden waren. Eigenlijk was het absurd om te bedenken dat Froukje hier met ons meeliep naar een concert terwijl ze in alle toonsoorten weigerden naar haar eigen man thuis terug te keren…

De zalen in de Ahoy zijn eigenlijk nooit vol en dat waren ze nu ook al weer niet. Zonde want de sfeer van zo’n bluesfeest kwam daardoor niet echt tot stand. Het bleef een beetje hangen op los van elkaar rondscharrelende groepjes die zich vooral druk leken te maken over de verdeling van koffie, marsen en pillen… Wij onttrokken ons daar zoveel mogelijk van, dat werd zo erg dat we zelfs ons tweetal vrienden kwijt waren en dat is een hele klus, zoeken in die menigte. De mobiele telefoon zij geprezen!

Het was geen slecht concert maar na een half uur zag ik Jeltjes gezicht betrekken. We konden elkaar nog net in de oren fluisteren wat er aan de hand was. ” Ik word van al dat getoeter moe en ik krijg er hoofdpijn van”, verzuchtte ze.  Ik keek om mij heen om te zien of er ene rustiger plekje te vinden was maar een geruststelling vond ik in de directe omgeving niet. Integendeel, de pillendealende mede-bezoekers gaven mij het gevoel dat we hier nooit met rust gelaten zouden worden.  Er zat maar één oplossing op: wegwezen…

Mij vriend en zijn vriendin keken zorgelijk: “Heeft ze zeker net iets opgepikt, ik hoor het wel meer de laatste tijd.” Voor mij betekende dat haastige instemming en een hoofdknik. ” Als we niet terugkomen, ontmoeten we jullie bij de TeddybearBar. Er kwam een wat stugge hoofdknik voor terug. Ja, echt gezellig was het allemaal niet. ” Zal ik maar bij ze blijven?”  vroeg Froukje die nog ongestoord fris en fruitig was. “Niet dat ik het leuk vind maar dan hebben ze tenminste niet het idee dat ze ons voor niks hebben meegenomen.” Jeltje en ik knikten en knipperden een beetje met de ogen. Intussen hield ik mijn vrouw met twee armen vast en zo begeleidde ik haar naars de uitgang, begeleiden ja, het was haast tillen….

In de TeddybearBar was vrijwel niemand aanwezig en de muziek stond er heel zachtjes, zoemend aan. Het was nauwelijks te horen wat voor muziek het was, iets heel zoetigs in elk geval. Dat was de trend in deze bar, zoete muziek. Wat kon je ook anders verwachten van de TeddybearBar….? We zakten in een bank met dikke, stevig gevoerde kussens weg, hijgden allebei uit en keken elkaar aan. Plotseling sloeg Jeltje haar armen om mijn nek en barstte ze in huilen uit. ” Ik heb zo’n spijt van dit alles, ik houd zoveel van je….”  Ze huilde zo erg dat haar ademhaling onregelmatig begon te worden en ik bang werd voor een aanval van benauwdheid of erger.

Veel heb ik er toen niet aan kunnen doen. Wat er precies gebeurde weet ik niet meer maar ik denk dat we samen in slaap zijn gevallen op die zachte, met rode kussens gevulde bank. FDe barman heeft ons waarschijnlijk gewoon laten slapen want het begon al donker te worden toen mijn vriend, zijn vriendin en Froukje ons wekten. We lagen stevig verstrengeld met elkaar en hadden zelfs moeite om weer los te komen. Dat kwam ook door Jeltjes ogen, die ogen die nog steeds zo keken als vroeger toen ik haar met zoveel moeite naar me toe had gehaald. Toen mijn hart bijna had stilgestaan bij dat hek voor het huis van haar ouders. Stil gestaan van angst. Dat gevoel kreeg ik nu weer. Mijn har stond bijna stil van angst en weer was het de angst om haar te verliezen maar deze keer kwam er geen boze vader aan te pas. Het was het boze monster dat haar van binnen langzaam opvrat, dat me beangstigde.

Even zag ik Froukjes ogen, wat leken die op de ogen van Jeltje…alleen in haar ogen las ik nu niet zoveel.” Tijd voor ene borrel”, zei ze koeltjes en ze draaide zich om in de richting van de bar. Onze vrienden waren daarvoor ook wel te porren. Opnieuw keek ik diep in Jeltjes ogen en ik hoorde haar lippen haast onhoorbaar fluisteren: ” Ja, een lekkere cocktail zou er wel in gaan.” Ze glimlachte flauwtjes en draaide haar gezicht toen van me af zodat ze ontspannen en rustig op de bank kon blijven liggen. Mijn arm bleef haar schouders ondersteunen ook al voelde ik hoe de tinteling erin kroop. Er stroomde daar geen bloed meer.

“En hoe gaat het met jullie?”  Froukjes stem klonk heel geïnteresseerd terwijl ze in de richting van mijn  vrienden keek. Ik wist dat ze veinsde maar het kwam allemaal wel op het juiste moment. ” Nou”, zei de vriendin van mijn vriend…”daar is heel wat over te vertellen….”

XXII

e kon niet zeggen dat ze lang aan het woord bleef, het duurde gewoon eindeloos  en  klonk als een immer voortdenderende trein. Mijn vriend zat er zonder met de ogen te knipperen naast en glimlachte zo nu en dan omdat zijn vriendin iets vertelde dat zij beiden kennelijk erg komisch vonden. Ik had van begin tot het eind niet het idee dat één van ons drieën er geïnteresseerd naar luisterde. Toch zag vooral Froukje nog wel kans zo nu en dan een pseudo geïnteresseerde vraag er tussendoor te gooien en dan ging de hele vertellende grasmaaier weer van start.

Het viel niemand mee om er een woord tussen te krijgen en het viel mij al helemaal niet mee Jeltje bij de les te houden. Die viel geregeld in slaap. Soms liet ik haar gewoon lekker liggen, een andere keer probeerde ik onopgemerkt haar aandacht te vragen voor het buitenwoon boeiende verhaal. Intussen zat mijn vriend, onze BOB zal ik maar zeggen, het ene na het andere glas bier weg te werken. Dat beloofde nog wat. Zijn vriendin kabbelde intussen jolig verder over het geluk dat zij tweeën aan elkaar beleefden. Het werd bijna genant. Plotseling viel Froukje haar in de rede:” Denk je er wel eens over dat er ook mensen bij kunnen zitten met een rothuwelijk?”  Ze vroeg het strak, sjagrijnig en resoluut. De spreekster ontkwam er niet aan dat ze antwoord moest geven.

Even was ze van de kaart. ” Nou ja, zo erg is het allemaal toch niet”, giechelde ze een beetje onhandig. Onmiddellijk daarna ging ze weer verder met haar verhaal totdat Froukje kans zag er een gat in te slaan. ” Nou, bij mij wel hoor! Bij mij is het wel zo erg, we liggen dagelijks met elkaar overhoop”, ze gooide zelfs een paar tranen in de strijd en dat kostte haar helemaal geen moeite. Ik kon zien dat ze echt waren en zo kwamen ze ook over want de vriendin van mijn vriend was ineens stil. Ze zat even sip voor zich uit te kijken en wilde net opnieuw beginnen te vertellen toen Froukje haar opnieuw voor was. “Weet je wat het is?”  zei ze langzaam. ” Soms kan ik me erg prettig voelen bij het geluk van een ander maar zoals jij het vertelt….het klinkt net alsof wij alleen maar luisterbehang zijn.”

Het was meteen helemaal doodstil. Niemand deed nog een mond open en ik dacht bij me zelf ” Oei, we moeten straks nog wel met hun auto terug naar huis”. Zover was het dus al met me, ik begon onmiddellijk aan mijn  eigen situatie te denken. Intussen was Froukje weer begonnen. ” Jij praat op ene manier waardoor niemand de kans krijgt iets over zichzelf te vertellen. Alleen JOUW verhaal is belangrijk!”  “Oei”, pareerde de vriendin van mijn vriend nu. ” Het lijkt wel of er bij jou heel wat scheef zit, of is dat alleen vandaag?”  Froukje plofte haar halverwege in de rede. ” Nee, dat is niet alleen vandaag en het is de laatste maanden al zo en het zal de rest van mijn leven niet meer veranderen, snap je dat?”

Er lag een ijzingwekkende stilte in de ruimte. ” Kom”, zei mijn vriend eindelijk. ” Het wordt tijd om naar huis te gaan.” Hij stond op en betaalde de hele rekening. Van mij wilde hij geen geld aannemen. ” We gaan rijden”, zei hij vlakjes. Onderweg naar de auto bleek dat hij behoorlijk over de weg zwalkte en ik kreeg even het idee om hem te vragen het stuur van hem over te nemen maar een echt goed idee leek me dat ook weer niet. Het was misschien vreemd maar ik was even het stuur over mezelf kwijt.

Voordat ik het wist brulde ik daarom naar hem: “Zeg, dronken lor, denk je niet dat het beter is als ik rijd?”  Mijn vriend trok zijn wenkbrauwen op en keek mij onderzoekend aan. ” Hoezo? Ik ben nog best in staat om in een rechte lijn te rijden, hoor!”  Mijn antwoord daarop lag al klaar voordat hij stopte met praten. ” Daar ben ik nu juist zo bang voor, dat je niet door hebt dat er een bocht is.”  Mijn vriend begon te gieren van het lachen en smeet de autosleutels naar mij toe.Iets in hem moet hem hebben ingegeven dat het beter was om zich te laten rijden. Het betekende trouwens wel dat hij met zijn vriendin op de achterbank dook, naast Froukje en Jeltje. Met alle kracht die in haar was, stapte Jeltje uit. Ze liep om de auto heen en kroop op de passagiersstoel naast mij. Het werd voor Froukje stil en eenzaam op de achterbank. Vooral stil want mijn vriend en zijn vriendin hingen over elkaar heen zonderdat er een woord uitkwam.

Het maakte de rit wel een stuk gemakkelijker. Niemand was verplicht een woord te zeggen of ene gesprek te voeren. En zo toerden we in een supertempo naar huis. Ik stopte zonder blikken of blozen voor mijn eigen huisdeur, stapte uit en liet Jeltje en ~Froukje uitstappen. ” Sorry jongens, verder gaat de reis vandaag niet. Het laatste wat ik ooit van ze heb gezien is de auto die stil bleef staan aan de kant van de weg. Toen de deur eenmaal dicht was, wasren we weer met z’n drieën en zonder iets te zeggen, besloten we niet meer met vrienden op stap te gaan. We hebben ze nooit meer terug gezien….

XXIII

Nooit meer…hoewel, de volgende ochtend stond hun auto nog steeds voor onze deur maar het kon me niets schelen of ze er nog in zaten of niet, ik ben ook niet gaan kijken. Pas vele uren later was het ding weg en daarmee was voor mij voor goed de deur dicht. Het was een ongekend gevoel voor me maar ik wist meteen dat het goed was. Ik voelde me bevrijd van een vriendschap waarvan ik me afvroeg of het ooit wel vriendschap was geweest. Wat hield het allemaal nou eigenlijk in?

Zuipen, barbezoek, een enkele keer naar de film, popconcerten en discussiëren over neukervaringen, vooral na Pinkpop, nee, een echt beter gesprek had er nooit bij gezeten. We waren razendsnel dor de dagen gevlogen zonder ooit iets zinnigs te doen en eens bij elkaar binnen te kijken. O nee, daar moest iedereen afblijven en zelfs onze ” best ”  vrienden kregen daar geen kijkje in. Hooguit de teleurstelling over een veel te dure nieuwe auto was onderwerp geweest op gevoelsgebied. Daar hield het dan zo ongeveer mee op. Zelfs het voetbal stelde in onze vriendschap niets voor want ik hield niet van voetbal en dat is nog steeds zo. Ik wil niet zeggen dat het afscheid zo maar een uitgemaakte zaak was. “Uitgemaakte zaak”, eigenlijk een bizarre uitdrukking als je er over nadenkt. Nee, ik heb zeker ene uurtje voor me uit zitten staren om de hele vriendschap eens te laten passeren en toen wist ik het zeker: weg ermee. Pas nu ik dit opschrijf, denk ik eraan terug. Zonder weemoed want ik weet dat ik het goeie heb gedaan. Voor ons allemaal.

Tevreden keek ik om me heen, ik zag Jeltje en haar nog steeds prachtig golvende haar, Froukje en haar wilde haardos en mijzelf zag ik in de spiegel en,..het moet gezegd worden…ik was en ben een knappe jongen. Ik kon me best voorstellen dat die meiden hartstikke gek op me waren geworden. Jeltje met wie ik nooit meer een vrijpartij zou durven hebben, Froukje die voortdurend naar zo’n vrijpartij verlangde en wist dat ik er ook voor “in”  was, wij hadden een band, een heel intieme band. Natuurlijk, we hadden ook een gezamenlijk probleem. Een gezamenlijk band van ellende maar het was opvallend, die ellende bracht ons samen en bezorgde ons alledrie ene intens gevoel van geluk. Ik kon het merken aan de woorden die de meisjes met elkaar spraken en de manier waarop ze mij   aankeken. Zelden had ik met zoveel zorg de twee meiden dagelijks omarmd. Voor het eten…voor de ontspanning…

Natuurlijk dat kon ook doordat ik me ziek had gemeld. Ik vroeg me ook af wat ik op mijn werk nog moest doen. Misschien waren er collega’s met wier ik beter kon omgaan dan met mijn “vrienden”  maar behoefte, nee behoefte had ik er niet aan. Ik bewoog mij geregeld heen en weer tussen huis en supermarkt om eten in huis te halen, voor onszelf, de kat en het kind. Zo nu en dan speelde ik ook met hem, dan legden we de hele vloer van zijn kamer onder het uitgebreide wegennet, de plastic ruimtevaartbasis met daarnaast een brandweerkazerne en een manege en alles wat hij in de loop van de tijd meer had gekregen. We waren een gezin met z’n drieën dat van tijd tot tijd alleen werd opgeschrikt door de woede-uitvallen van Froukje in de richting van haar man die als maar vroeg wanneer ze thuis zou komen. Was het raar? Nou ja, ze logeerde drie weken bij ons voordat er nijdige brieven van zijn hand binnen kwamen al dreigde hij nog steeds niet met een scheiding.

“Dan zie je maar eens wat een schijterd hij is”, zei ze soms venijnig op een toon die mijn mag ineen deed krimpen. Hij durft nog niet eens over een scheiding te beginnen, omdat-ie dan z’n lieve vrouwtje kwijt is, z’n lieve schattige vrouwtje waarmee hij altijd zo graag de vloer aanveegt.”  De koude rillingen liepen mij over de rug. De snerpende toon die Froukje kon opzetten, had Jeltje nooit tegen mij gebruikt. Op een dag vroeg ik haar waarom ze zelf niet aan haar man voorstelde om te scheiden. Ze keek mij met grote, ontzette ogen aan en wilde eerst niet antwoorden maar na twee happen banketstaaf, ja het was Sinterklaastijd, zei ze toch heel zachtjes een paar woorden. ” Het gaat niet om MIJ, het gaat om HEM! Hij moet eens een keer laten zien dat hij een echte vent is.” Ik moet zeggen, die opmerking dreunde even bij me door. Het werd me duidelijk dat Froukje eigenlijk helemaal niet van haar man af wilde. Helemaal begrijpen deed ik dat niet want ik vond het inderdaad maar een suffe lul terwijl Froukje volgens mij veel meer in haar mars had, beeldhouwen en toneelspenen enzo…creatief meisje. Creatiever dan Jeltje eigenlijk…nou ja….anders

Vrienden….nee, er kwam eigenlijk niemand meer aan de deur. Een enkele keer was er de buurman die om een afspraak kwam bedelen, gewoon omdat hij iets wilde weten. Ik zag aan zijn schichtige gedrag dat hij vond dat het er allemaal maar raar uitzag bij ons, een beetje rommelig misschien ook. Meestal waren de meisjes boven als hij aanbelde maar de rommel kon ik niet zo snel wegwerken en het kon me niet schelen ook…

XXIV

Vrienden zijn als ijs…ze smelten weg als de grond hem te heet wordt onder de voeten. Ja, ik weet het, die vrienden met die auto heb ik zelf buiten in de kou laten staan maar het is opvallend hoe weinig vrienden je overhoudt als er ziekte heerst in je huis. Ik kreeg het gevoel dat er nooit meer iemand op bezoek kwam en dat er ook nooit meer iemand belde. Alleen die maffe echtgenoot van Froukje belde van tijd tot tijd om te vragen wanneer ze thuiskwam. Het antwoord was elke keer hetzelfde: zoek het even lekker zelf uit. Meestal kroop Froukje meteen na zo’n gesprek heel dicht tegen me aan. Heel dichjt. zij had behoefte aan warmte, vriendschap en ook liefde…

Nu ik dit opschrijf, denk ik wel eens ” hield ik van haar”?  Ik vind dat moeilijk want wat is precies “houden van”? Dat gaat nog heel wat verder dan met enige regelmaat een wip maken op de vloerbedekking of in een onopgemaakt bed. Het maakt daarbij niet uit of je de gevulde condooms van de vorige keer nog terugvindt…met liefde heeft het allemaal niets te maken. Houden van, dat ging helemaal z’n eigen weg en had alleen nog betrekking op de relatie tussen mij en Jeltje. Ik wilde haar niet kwijt en niet zien vertrekken, ondanks alles, ze was van mij….ja, de gedachte alleen al maakt me warm tot op de dag van vandaag. Jeltje zit zo vergroeid in mij, als ze eruit wordt gehaald, ga ik dood…

En natuurlijk, het lag ook aan mij vooral. Ik was degene van ons drieën die het meeste buiten de deur kwam. Na een week moest ik ook weer aan het werk en dat viel net mee.  Veel collega’s dachten vooral dat ik leuk met vakantie was geweest. En dan gebeurde er iets geks: Ik zei dat het leuk was geweest en dat we ontzettend leuke dingen hadden gedaan.  Mijn collega’s gingen er ook heel enthousiast op in. Ik hield het vaag en ja…vaak insinueerde ik boeiende seksuele ervaringen. Dan vraagt haast niemand verder…hooguit worden er wat grove grappen gemaakt.

Vrolijk werd ik daar dan weer niet van maar ik was wel een tijdje de meest populaire jongen op de afdeling. Seks…en auto’s, dat is natuurlijk altijd het hoogtepunt van vermaak onder collega’s. Daarbij zorgde ik er dan wel weer voor dat ik me heel netjes aan de gangbare opvattingen hield. Dus gewoon, niks overspel, niks buitenechtelijk geneuk…gewoon met je eigen vrouw van alles. En dat terwijl van binnen alles in je jankt en gilt ” was het maar waar, kon dat maar!”  Die wanhoop zal ik nooit vergeten….

Nee, ik hield ook van Froukje, ik denk het wel…ja, echt houden van. Ze was lief, zorgde goed voor me, gaf zichzelf met overtuiging aan me, ze zoende beter dan Jeltje, ja zeker. Die kunst had ze beter onder de knie maar….ze was niet zo met me vergroeid als Jeltje….ze was niet een eenheid met me geworden, ze was geen orgaan van me… En toch…ik had haar niet kunnen missen, ze bood me de troost die ik nodig had en de vrijpartij die ik bij mijn vrouw zo miste. En Jeltje wist het en ze vond het goed want ze was net zo gek op haar zusje als ik en ze hield van mij…ondanks alles hield ze van mij zoals ik van haar.

Na een tijdje begon het te slijten op het werk. Het lachen om grove grappen en het tumult over een korte, wilde vakantie was voorbij. Ik merkte dat mijn collega’s me zelfs een beetje begonnen te mijden. Dat verliep heel verraderlijk. Eerst waren er ene paar “per ongeluk”  vergeten vergaderingen, later vroegen ze of ik ergens wel bij wilde zijn op ene toon alsof ze “nee hoor”  als antwoord verwachtten. Kort daarop kwamen ze ook minder langs voor individuele gesprekjes.  Soms leek het ook wel of de stemmen stokten als ik op de gang langskwam. Nee, de sfeer werd er niet prettiger op.

Tot die dag dat Partner Willem mij  op het matje riep en begon te vragen waarom ik me zo afzonderde. Onmiddellijk begonnen mijn oren te gloeien omdat ik er een aanzet in zag om me te lozen. Het waren van die gemene , achterbakse vragen en opmerkingen. Of ik me wel kon vinden in het nieuwe beleid van het bureau en hoe ik dacht over mijn directe vrouwelijke collega’s. Het leek wel ene spellletje om mij erin te laten lopen, om te zorgen dat ik iets vrouwonvriendelijks zou zeggen ofzo. Ik was op mijn hoede maar mijn humeur werd daardoor niet beter. Integendeel, ik vroeg me af  waar Willem op uit was.

“Nou ja”, zei hij eindelijk, ” je hebt het er goed afgebracht. Je reacties zijn zoals ik verwacht had en eigenlijk nog een stukje beter en”,…hij boog zich voorover…” sluwer.” Eerder zou ik misschien een brede glimlach op mijn gezicht hebben getoverd maar deze keer brak er niet meer dan iets flauws door. Het leek Partner Willem niet op te vallen. ” We willen je voordragen voor ene partnership”, zei hij glimlachend. ” Een junior partnership”.  En zelfs toen…voelde ik me opveren…even was er iets van vreugde in me ook al voelde mijn leven zo verschrikkelijk zwaar.

XXVI

Koud, ijskoud! Het liet me helemaal koud! Junior partner bij het architectenbureau…vroeger zou het me iets gezegd hebben maar ik merkte nu meteen al dat ik er geen enkel gevoel bij had. Misschien heb ik glazig voor me uitgekeken, misschien was ik snel met opstaan. De chef moet iets gemerkt hebben, iets dat niet klopte. Ik gaf hem niet een een hand om te bedanken, stond op en met een stijf hoofdknikje liep ik de kamer uit. Misschien dacht hij wel dat ik te veel was afgebluft door de snelle promotie.

Ik hoorde de deur van de kamer net iets te hard achter me dichtslaan en een argeloze voorbijganger zou gedacht hebben dat er net een forse ruzie uitgevochten was. Dat beeld werd nog versterkt door de sloffende gang die ik er op na hield totdat ik mijn stoel had bereikt. Onder weg groette ik nog al lusteloos een paar collega’s. Het viel niemand op. Ik had het gevoel dat de meesten mijn komend ontslag in het verschiet zagen maar daar hadden ze zich dus lelijk in vergist. Kijk, dat was nu wel weer aardig en ja, het liet heel even iets in me zingen maar die uitgelatenheid bekoelde snel. Ik vreesde dat ik als partner harder zou moeten gaan werken, meer uren zou moeten maken en daar had ik echt geen tijd voor. Zo heb ik de hele m iddag gezeten met mijn handen in mijn haar en mijn hoofd rustend in mijn handpalmen. Niemand kwam langs, wat karakteristiek was voor de periode van crisis…het ging slecht in de bouw…

Die avond kwam ik thuis en Jeltje vroeg mij meteen of er iets ergs was gebeurd op het werk. Het was aan me te zien klaarblijkelijk dat ik niet bepaald blij was. ” O nee”, loog ik. ” Gewoon een beetje moe, zware gesprekken gehad en gezeur over teruglopende opdrachten maar verder niks…. ” Ze willen je niet kwijt?”  vroeg zij met een trillende stem en ik schudde mijn luizenbos. ” Nee hoor, ze zijn allemaal hartstikke blij met me. Wat schaft de pot vandaag?”  Intussen bekommerde ik mij met mijn zoon die altijd nog idolaat naar mij kon opkijken.

“We hebben je lievelingskostje”, glimlachte Jeltje, “bruine bonen met spek.”  Hoewel ik de enige was die zo nu en dan boodschappen deed, wist ik niet eens dat we zoiets in huis hadden. ” Dat is een meevaller”, lachte ik. ” Ja, dat lijkt me wel iets.”  Ik vroeg me af war Froukje was maar wilde niets vragen. Iets in mij zei me dat zij zo maar van de ene op de andere dag kon vetrekken, een ander spoor in de wereld volgend. Ik concentreerde me op het spel met mijn zoon en dat was heerlijk. Een tijdlang leek het of alles ver weg was: hiv, aids, werk en zelfs Froukje…. We speelden, we speelden…totdat Jeltje met heteten binnenkwam. ” De heren kunnen aan tafel en…”, zeven pauzeerde ze, ” de dames ook.”

Froukje kwam binnen in een prachtige jurk, een jurk die ze nog niet eerder had gedragen sinds ze bij ons logeerde. In  werkelijkheid had ze helemaal geen jurk aan gehad maar alleen een T-shirt en een spijkerbroek. Ik kon het niet helpen dat mijn mond openviel. Jeltje zette wijn op tafel, wijn bij de bruine bonen met spek. Ik keek daar niet van op, we hadden al heel lang de gewoonte bij elke gelegenheid wijn op tafel te zetten. Toch kreeg ik ene onzeker en onaangenaam gevoel erbij. ” Hebben we iets bijzonders te vieren?”  Jeltje en Froukje schoten allebei tegelijk in de lach, het deed me plezier de beide meiden zo vrolijk te zien maar ik wist nog steeds niet wat er aan de hand was.

Froukje hief als eerste haar glas en met ene brede glimlach op haar gezicht begon ze te praten. “Vandaag is het voor het eerst dat mijn man me vijf dagen achter elkaar NIET heeft gebeld”, zei ze triomfantelijk. Het klonk als authentiek, vrouwelijk sarcasme. “Hiephiephoera”, bracht Jetje er kuchend uit doordat ze zich verslikte in een stukje brood. Ook zij hief het glas met fonkelende rode wijn hoog op. Ik kon niet achterblijven al schoot de gedachte door me heen om het glas zonder al teveel poichtplegingen in één teug leeg te klokken. Nee, ik tilde mijn glas op en keek de meiden lachend aan.mijn meisjes dus…er kroop iets vertederds in mijn hoofd…niet lustig maar vertederds…ik hield van ze….

We nipten van de wijn en opnieuw drong het tot me door, ik had niets anders nodig dan deze twee heerlijke zusjes en mijn zoon om gelukkig te zijn. Dat hele partnerschap kon me gestolen worden, misschien moest ik het morgen gaan zeggen. Dan kon een ander misschien thuiskomen bij zijn vrouw en kreeg hij ook eens een schouderklopje of compliment. Ik wenkte Jeltje die ene plekje tegenover mij had ingenomen terwijl Froukje juist naast me zat. Ik wilde haar ook bij me en m’n zoontje…met z’n vioeren. Mijn armen sloeg ik om die fragiele schouders heen. Het werd een avond van weinig eten maar dat hoefde ook niet. We leefden ergens anders van….

XXVII

Ik weet niet wat ons overeind hield of misschien weet ik het nu wel. Toen wist ik het in elk geval niet. Het leek meer op een soort bestaan waarbij het bewustzijn volledig was uitgeschakeld. Pas een dag of meer dagen na een handeling, bleek mij wat de betekenis ervan was en wat mijn drijfveren waren geweest.

Nooit heb ik later ook pogingen ondernomen om uit te rekenen hoeveel liter drank er in die dagen doorheen is gegaan en hoeveel cocaïne we snoven. Ja, dat ook want drank en cocaïne zij de beste middelen om te vergeten dat je in ene geordende samenleving leeft. Niets is zo erg als een geordende samenleving als je je hebt voorgenomen gewoon ene leven te leiden zolang het leuk is.

Geborgenheid, geborgenheid, dat zochten we alle drie, geborgenheid in de wetenschap dat de buitenwereld niet wist hoe en wanneer we ons misdroegen. Niets is zo liefdevol als het gedeelde, verschrikkelijke geheim, zo lijkt het me nu want ik kan me niet herinneren dat er daarvoor of later tijden zijn geweest waarin ik zo godsgruwelijk van twee vrouwen tegelijkertijd heb gehouden.  Natuurlijk, voor het kind, voor het kind en de kat was het minder. Ik denk dat zij te weinig aandacht hebben gekregen in die tijd maar ja…aan de andere kant…het duurde alles bij elkaar maar ene paar maanden dus…

Ja, ik weet het de schade die je een kind toebrengt, is in een later stadium nauwelijks nog goed te maken. We hebben in later jaren wat afgetobd met “professionele hulp” maar daarover kom ik nog te spreken. Ja, ik denk dat we hem tekort hebben gedaan. De kat niet, die kreeg volop aandacht. Vooral Jeltje was erop gespitst elke ochtend voor hem een bordje magere melk en wat brokjes neer te zetten. Dat werd beloond doordat hij bij mij op schoot kwam zitten en zo hard spinde dat de hele familie me afgunstig aan zat te kijken. Soms vraag ik me af of poes ook begreep wat er gaande was, dat ze intuïtief het goede gevoel had.

What the heck, the cat! Nou, dat kon je zo niet zeggen want de kat was ons aller vriendje, de enige die volledig schuldeloos door het huis sloop en liet zien dat er meer was dan onze eigen muizenissen en doemdenkerijtjes. Hoe dan ook, een blijk van de veranderde waarden en normen was dat we steeds vaker op de grond zaten. Zelden of nooit zochten we onze stoelen en banken op. Zelfs eten deden we zittend op de grond. We hadden het gevoel dat we op onze stoelen en aan tafel teveel zichtbaar waren voor passerende buren. We hadden niet zoveel behoefte aan gezwaai en wuiven. We hadden echt meer dan genoeg aan onszelf.

Daar kwam nog bij dat stoelen, tafels en banken dwingend zijn als het gaat om de manier van zitten. Froukje had er ene pesthekel aan. Stoelen en banken deden haar denken aan haar man, die man met die godsgruwelijke voornaam die je het liefst zo diep mogelijk in de grond zou willen begraven of door het riool zou willen spoelen. Ze voelde zich in een stoel of op ene bank net zo gevangen als in haar huwelijk met die nitwit, die man die trouwens opmerkelijk minder vaak belde. Een enkele keer maakte ik er een opmerking over en dan zag ik een hoopvol licht opgloeien in haar ogen.

Jeltje zat het liefste op de grond omdat die haar de meeste bewegingsvrijheid gaf. Je kon er zitten, hurken, liggen, hangen zonder dat het nodig was om je te verplaatsen. “De grond is alles wat ik nodig heb om me gelukkig te voelen, en mijn man”, zei ze dan en dan sloeg ze haar beide armen heel klemmend om me heen. En dat…dat….maakte mij dan weer meteen heel duidelijk waar we eigenlijk mee bezig waren. Soms schoot het door me heen dat het misschien de laatste “loodjes”  waren want wanneer zou het onafwendbare zich voor gaan doen? Jeltje was steeds vaker moe en misselijk terwijl Froukje en ik nog relatief fris en vrolijk rondliepen. Jetje, mijn Jeltje….er ware momenten dat ik me helemaal alleen opsloot in een lege kamer en voelde hoe de tranen opwelden en vervolgens naar buiten spoten… Ik wilde die momenten niet aan haar laten zien en ook niet aan Froukje.

Het was mijn eigen energie en mijn eigen kracht die zulke momenten op moest vangen, zo vond ik. Van tijd tot tijd vroeg Jeltje me waarom ik me wel eens terug trok en dan moest ik smoezen verzinnen over geld tellen en boodschappen voorbereiden of iets voor het werk want ja….die meiden zaten de hele dag in huis maar ik moest dagelijks de deur uit. Hoewel, het was Froukje die ook steeds vaker aanbood om boodschappen te gaan doen. Ook zij hield het bij tijd en wijle toch ook niet alleen maar binnenshuis uit. Ik merkte dat wel en soms bekroop me de angst dat zij eigenlijk ernaar verlangde naar die grijze, gezichtloze, onbeweglijke slagboom die haar man was terug te willen gaan. Dat ze zich langzaam daarop voorbereidde maar ze zei er niets over. Daarom besloot ik haar er eens naar te vragen….maar ene nog groter vraag was: wanneer zou daarvoor het juiste moment zijn?

Juiste momenten….daar kwam alles op neer en ze waren steeds moeilijker te vinden omdat alles wat we deden vlagen van spontaneïteit en misschien moest het ook wel zo gebeuren. Misschien moest ik het gewoon een keer vragen als ik de woorden niet langer binnen kon houden.

XXVIII

Jeroen…ik heb hem een paar keer “het zoontje”  genoemd en dat is kenmerkend. Jeroen…hij leek als het ware een leven van zichzelf te leiden, wat natuurlijk niet kon. Vooral sinds hij naar school ging, onttrok zijn doen en laten zich dagelijks lange tijd aan  ons blikveld en nu we in de nieuwe situatie waren geraakt, was dat nog sterker. Van Herman, de kater, kon je nog zeggen dat hij om de haverklap om aandacht vroeg maar Jeroen…die was gewoon urenlang onder de pannen bij iemand anders.

Zelfs tussen de middag kwam hij niet meer thuis. De school was echt van alle markten thuis en gaf de leerlingen te eten en te drinken. Dat kostte wat meer dan had je ook wat en ik hoefde hem alleen maar om 08.30 af te zetten en om 17.00 uur weer op te halen. Vaak wilde hij dan nog met een vriendje spelen, wat we ook weer prima vonden ” Maar niet bij ons thuis, Jeroen, dat kan nu even niet… .”  Ik geloof niet dat Jeroen het heel erg vond. De sfeer in huis was misschien niet zo geschikt voor spelende kinderen. Hij voelde dat natuurlijk maar een enkele keer zag ik iets in zijn ogen, ik zag het maar ik deed er niets mee. Ik bleef onverbiddelijk en hard. We konden geen spelende kinderen in huis hebben. We wilden zelf immers op de grond zitten, met drie volwassen mensen. Het was opmerkelijk dat Jeltje er ook nooit om vroeg. Gek genoeg was haar behoefte aan Jeroen om zich heen maar heel klein. Alleen ‘s avonds, tegen bedtijd, als ze hem naar bed bracht en voorlas….dan was er een ondoorgrondelijke eenheid en liefde tussen die twee… Ze las voor, ze las voor en het kon haar niet schelen hoelang het duurde en waarover het ging. Na afloop had ze altijd de tranen in haar ogen staan…

Maar wat moest ik ermee? Ons samenleven was helemaal niet geschikt voor de verzorging van kinderen tussendoor. Eten en wegwezen was het devies. Neuspoetsen, zelfs daarvoor was overdag zelden tijd. Nu, nu ik zo nu en dan weer naar Jeroen kijk, hoe hij door huis loopt op zoek naar iets dat hij niet kan vinden, zijn moeder die hij zo heeft genist…en dan, hij heeft geen besef hoe erg zijn moeder hem heeft gemist. Want zelfs al deed ze weinig om haar zoontje in haar omgeving te hebben, ze miste hem tot op het bot, en nog dieper…tot in haar baarmoeder die nu zo vreselijk no-go area was. Jeroen was het enige tastbare bewijs van haar moederlijkheid, ze was dat wat ze diep in zich had gedragen en wilde dat niet vermengen met de vuiligheid die zich daar nu bevond…

We spraken er nooit over maar ik kon het aan haar zien. Aan haar gebaren en haar lichaamshouding als ze Jeroen over zijn krullen streelde maar vooral….asl ze hem voorlas. Ik kon het ook zien als Froukje dat een enkele keer deed omdat Jeltje het gewoon niet meer kon opbrengen aan het eind van de dag. Dan was er haast haat en nijd in haar ogen. Geen haat tegenover Froukje maar haat voor alles….en haat voor haar eigen onvermogen van het moment…

Uit alles bleek dat ze Jeroen miste, ze miste alles aan hem. Hoe hij groot werd, blij was, speelde, huilde en beter leerde spreken en leerde schrijven…alles….  Soms huilde Jeltje zo maar ineens en dan vroeg ik niet eens waarom. Ik sloot haar in mijn armen en dacht eraan hoe blij ik was dat ze er nog was. Ik vroeg niet meer naar oorzaak en schuld en boete, ik vroeg alleen maar om leven….

Ik weet niet wat Jeroen is bijgebleven van die dagen. Ik merk wel eens een soort schuwheid tegenover andere mensen, juist de mensen die hij goed zou moeten kennen. Ooms en tantes die we nu wel weer eens opzoeken, het lijkt of het vreemden voor hem zijn.  Of hij er afstand van wil nemen. Dan duikt hij haast tegen me weg terwijl ik van hem volwassen gedrag verwacht. Pas later op de dag bedenk ik me dan vaak dat hij er niets aan kon doen en nu nog steeds niets aan kan doen. Het moet slijten, de eenzaamheid die hij als klein kind heeft ervaren…die heeft zich dieper in hem ingevroten dan we hadden gedacht.

vandaag vroeg hij me of hij een foto van zijn moeder op zijn kamer mocht hebben. ” Gewoon om vanuit mijn bed naar te kijken”, zei hij. ” Dat was wat hij zei maar ik weet zeker dat zijn verlangen verder gaat. Ik weet zeker dat hij met zijn moeder praat, vanuit zijn bed. Dan bedenkt hij hoe ze op de rand van zijn bed zit, dan voelt hij weer hoe haar hand door zijn krullen gaat en hoe ze hem een nachtkus geeft….die foto heb ik gegeven, in een eenvoudige lijst want het beeld mag niet worden verstoord….

XXIX

roukje en ik lagen die ochtend in een standje 69,5 verwikkeld. Het moet gezegd worden. Van de twee zussen was zij degene met de beste seks, Jeltje had de beste babbel. Overigens…ze maakten elkaar niet heel veel uit op die gebieden maar Froukje was door de omstandigheden steeds meer mijn sexing-partner geworden.

In zo’n houding waren we meestal nog al onbereikbaar maar deze keer was het anders. De deur vloog open en Jeltje kwam luid schreeuwend binnen. “Jeroen, o God, ze hebben Jeroen…!” Ik weet niet meer hoe ik het deed maar ik sprong onmiddellijk recht overeind. Froukje rolde op haar zij en kroop zittend in een hoek bij de verwarming. Bibberend van de kou, even zo goed maar ook heel stil. Ze voelde zich op de één of andere manier schuldig.

“Wie heeft Jeroen te pakken?”  vroeg ik geschrokken terwijl ik mijn arm heel stevig om Jeltjes schouders heen sloeg. Het was vreemd om te merken dat ze daarop nauwelijks reageerde door steun bij me te zoeken zoals ze vroeger altijd had gedaan.”De jongens…de jongens…” snikte ze. ” Het komt doordat we nooit meer op hem hebben opgelet”, ging ze verder.  ”We zijn het oog gewoon op hem kwijtgeraakt.” Nog steeds vroeg ik me zenuwachtig en gestresst af wat er precies aan de hand was maar op dat moment kwamen er geen woorden meer uit Jeltje. Ze huilde alleen maar en ik sloot haar sterker in mijn armen. Deze keer gaf ze wel toe en ontspande ze zich helemaal  tegen mij aan.

Ik had geduld geleerd, niet van mijn ouders maar juist van Jeltje en dus wachtte ik, ik wachtte en het verhaal kwam na een paar minuten. “Ze hebben hem helemaal in elkaar geslagen en geschopt. Hij ligt in het ziekenhuis en is bewusteloos…”  onmiddellijk barstte ze weer uit in tranen, haar geschreeuw ging me door merg en been want ik wist dat ze zichzelf de schuld gaf. ” We hebben te weinig aandacht aan hem besteed, de laatste maanden”, snikte ze.  ”Hij wordt al tijdenlang heel erg gepest omdat hij zich zo terugtrekt op school en nu dit…o God, ik ben zo bang…. . o God, mijn kind, ze hebben hem kapotgeslagen…”  De laatste woorden krijste ze uit, het was niet eens meer haar eigen herkenbare stem…

Froukje had zich inmiddels in stilte teruggetrokken en was baar haar kamer gegaan om kleren aan te doen. Ze mompelde in zichzelf en ik kon aan haar gezicht nog net zien hoe zij zich het verdriet van haar zusje aantrok. Jeltje keek me nu aan, het leek of haar ogen bovenop een meer van tranen dreven. Ik kon niet veel anders doen dan strelen en zoenen en haar zoenen ontvangen want ze kuste mij aan alle kanten nu. ” Ons kind”, bracht ze eindelijk schor uit. ” Moet dan alles van onze liefde kapot gaan? Ons kind, het is verdomme ons kind…!”

Het sneed door mijn trommelvliezen, ruggenmerk, achterhoofd, het sneed door alles wat ik had…haar wanhoop en de mijne en ik kon niets doen want de machteloosheid id het eerste wat zich opdrong… “We gaan erheen….” fluisterde ik maar Jeltje schudde haar hoofd. ” Dat kan nu niet, ze hebben gezegd dat we vanmiddag kunnen komen, niet nu…. .”  Ik voelde emn innerlijke woede opkomen en kreeg ook het gevoel dat ze mijn vrouw behoorlijk hadden afgepoeierd. “Hoe kan dat nou, waarom zouden zijn ouders niet mogen komen?”  vroeg ik woedend maar Jeltje zat een beetje verdwaasd voor zich uit te staren. Het leek of ze de schok niet te boven kon komen. Hoe konden anderen haar zoon zoiets aan doen. ” Alles gaat dood”, zei ze zachtjes. ” Al het leven rondom mij gaat dood of kapot.” Ze sprak de woorden uit zonderdat haar gezichtsuitdrukking veranderde. “Het is allemaal begonnen met die ene keer met… “

Ze keek me schichtig aan en gluurde toen weer gauw uit het raam alsof ze zich realiseerde dat ze een geheim had verklapt, al was dat niet zo. Ik besloot er niets over te zeggen, er niet op i te gaan…Jeltje had het al moeilijk genoeg. We hadden het allemaal moeilijk…we moesten allemaal eruit zien te komen. Hoe zouden we gemakkelijk verder kunnen leven, in de wetenschap dat dit het gevolg was van ons prettige, warme, knusse samenzijn?  Van onze afsluiting naar buiten, die onverbreekbare eenheid van drie mensen….die drie mensen die alles waarin ze zo kwetsbaar waren, maar even waren vergeten, even over de schutting hadden gegooid? Nee, zo mocht je dat niet zeggen…

Maar hoe dan wel? Het was toch waar dat we Jeroen gewoon een beetje z’n eigen boontjes hadden laten doppen? Het was toch waar dat we niet of nauwelijks met hem hadden gesproken, alleen met elkaar? Over onze eigen angsten en problemen en gevoelens? En verder hadden we er toch maar zo’n beetje op losgeneukt waar het kon?  Ja, dat was waar!

Het kostte mij geen moeite om de telefoon te pakken en het ziekenhuis te bellen. Ik voelde me opgelaten, sjagrijnig, kwaad en nog veel meer. Ik wilde als vader gewoon mijn zoon kunnen bezoeken, mijn zoon die eigenlijk door mijn eigen toedoen in het ziekenhuis was beland. DE juffrouw aan de andere kant bleek erg begrijpend te zijn…zo begrijpend dat ik begreep waarom ze ons nog even niet op bezoek wilden hebben…het viel niet mee, dat wachten in schuldbesef…

XXX

Hij huilde meer…niet alleen ‘s avonds in bed maar ook overdag. Het leek of hem permanent iets dwars zat. Aan de andere kantcwaren wij er ook vaker voor hem, al dagen. Nu was gebleken hoe erg Jeroen had geleden onder de afzondering van de ouderen in het huis, bekommerden we ons meer om hem.

Niet dat het er vrolijker  op werd, zeker de eerste dagen niet. Het huilen hield soms haast niet meer op en het was onmogelijk om hem naar school te laten gaan. Integendeel, na twee dagen bezochten Jeltje en ik met hem de huisarts. We kenden de dokter goed, natuurlijk kenden we hem goed maar na zijn onheilsbericht van een maand of twee geleden kwamen we er liever niet meer. Er gebeurde waar we bang voor waren geweest. Hij zette een ernstig gezicht en begon ene uitvoerig, ernstig gesprek over onze gezinssituatie. Ik moest ter plekke antwoorden verzinnen want ik had geen zin om op alle details in te gaan. Dat we altijd op de vloer zaten, vertelde ik niet maar wel dat de gordijnen half dicht waren. Hij kon dat niet goedkeuren. Volgens hem ontstond daardoor ene depressieve toestand in huis, een toestand ook waarbij Jeroen zich steeds zou afvragen waarom dat bij os zo was en bij anderen niet…

Het was een stortvloed van oppervlakkige meningen en opvattingen die over me heen kwam, sommige onderbouwd, andere weer nauwelijks. Een enkele keer schreef hij de toestand aan gebruikte geneesmiddelen toe. Ik kreeg het gevoel dat achteruit mijn hoofd de jeugdpsychiater op kwam dagen en het was alleen nog maar wachten op dat woord maar nee…het bleef uit. ” Ik raad u aan Jeroen te laten deelnemen aan het moestuinproject dat door Jeugdzorg is opgezet in het kader van grootscheepse zorgpreventie”, zei hij. Ik weet haast zeker dat ik hem even met open mond heb aangekeken o aan te geven dat ik hem niet begreep maar de dokter liet zich daardoor niet van de wijs brengen.

Hij hield een lang betoog over de gunstige uitwerking van het moestuinproject, juist op kinderen die thuis met problemen te maken hebben. ” De gemeente subsidieert het”, was zijn laatste opmerking die klonk als het allerlaatste en absoluut overtuigende bewijs dat het iets goeds was.  Ik weet niet meer wat ik gedaan heb, of ik eerst gezucht heb of dat ik meteen ben opgestaan. In elk geval had de dokter nog de tijd om een formulier half in te vullen dat ik op moest sturen om in aanmerking te komen voor het moestuinproject. Ik heb de man nog een hand gegeven ook. Ja, ik heb zelfs “dank u dokter”  en ” tot ziens”  gezegd. Eenmaal buiten heb ik het formulier overhandigd aan een man van de plantsoenendienst die even uitrsutte terwijl hij op een hark leunde.

Het probleem voor Jeroen was daarmee natuurlijk niet van de baan. We begonnen serieus na te denken over verhuizen en een andere school en zochten ook naarstig onze hersens af om te kijken of we iemand kenden die Jeroen kon helpen. Maar…het werd nog erger. Twee dagen  na het bezoek, meteen nadat we het bed uit waren, riep Froukje  ons met slaperige stem weer bij elkaar. Ze vond dat de band wat aan het verwateren was, mogelijk kwam het door de toestand met Jeroen maar hoe dan ook…het was allemaal wat minder “close” geworden. Ik denk dat ze gelijk had maar op dat moment was het aslof ik mijn hart letterlijk in mijn schoenen voelde zakken. En toch…ik besloot me niet te verzetten. Dat had ze niet verdiend. Ik zei niet: ” Maar meid , je weet toch wel dat ik je helemaal niet kan missen?”  Ik zei doodleuk: ” Maar meid, je weet toch wel dat WE je niet kunnen missen?”

Het was een welbewuste tactische variant maar Froukje weigerde erin te trappen. ” Nee, ik vind juist dat jullie steeds beter zonder mij kunnen. Ik heb mijn tijd hier gehad”, zei ze en ze lachte er zelfs bij. “Het is nu weer ana jullie drieën om er voor de rest van de tijd iets moois van te maken”  ” En jij dan?”  vroeg ik terwijl ik wist dat mijn teleurstelling in de vraag duidelijk doorklonk. “Ik?” vroeg ze dapper. ” Ik ga weer naar huis, naar die oen van me toe en kijken of we er toch nog iets moois van kunnen maken.” Ik was verbijsterd. Kennelijk kon ze zich met die muppet van een man net zo goed vermaken als met mij, tenminste, die mogelijkheid hield ze open…

Froukjes besluit stond vast en ik was de laatste die met haar in discussie wilde gaan al wist ik bij voorbaat dat ik haar verschrikkelijk zou gaan missen. Ze was de helft van mijn huwelijk geworden en dat sloeg niet alleen op de seks.Maar ik slikte mijn teleurstelling in, ja, het was meer teleurstelling dan verdriet maar wel ene heel grote. Ik had gedacht dat Froukje in flinke mate aan mij gehecht was geraakt maar dat viel me nu zwaar tegen.

Misschien had Jeltje de sleutel van alle problemen in handen. Ze zei niet veel toen Froukje haar vertrek anakondigde, sloot haar in haar armen en gaf haar een paar stevige zoenen. ” Je bent een fantastische  zus en schoonzus”, zei ze. “Je hebt ons geholpen en gesteund waar je kon en op die manier een oplossing voor jezelf gevonden. Ik ben blij voor je…”  Ik zag dat ze haar tranen niet kon inhouden,. ze dook met haar gezicht op mijn schouder…” We moeten het nu weer zelf doen”, fluisterde ze nog.

XXXI

Het was een leugen of misschien gewoon gezichtsbedrog. Ik voelde met elke vezel in me aan dat Jeltje dolblij was dat haar zusje weer was opgelazerd. Ja, opgelazerd, in stilte dacht ze in dat soort termen. Natuurlijk wist ze heel goed welke rol Froukje voor mij vervulde, ja, ze had er bijna met haar neus bovenop gestaan, bijna was ze een paar keer haast over ons gestruikeld.

In werkelijkheid wilde Jeltje mij weer helemaal voor zichzelf. Niet alleen om mee te praten maar ook voor de seks. Natuurlijk, daaraan waren risico’s verbonden maar die golden vooral voor mij. Zijzelf was immers al behoorlijk ziek. Ze had weinig meer te verliezen. En zo malden mijn gedachten maar in mijn hoofd. Ze leken bij tijd en wijle bezit van me te nemen en dan keerde ik mij in gedachten ook weer van Jeltje af. Het vertrek van Froukje had op onze verhouding geen goede uitwerking.

Ik merkte wel dat ik achterdochtig was en soms zei ik tegen mezelf dat ik overal veel teveel achter zocht maar op de lange duur hielp dat niet. Ik bleef Jeltje wantrouwen. Dat nam niet weg dat we elkaar wel weer wat meer opzochten, logisch nu Froukje er niet meer was.

Op een ochtend had Jeltje zelfs heel ouderwets de tafel gedekt voor het ontbijt, het leek op onze eerste dagen, toen we pas bij elkaar waren. Dat deed me goed. het leek zelfs of de kamer weer net zo rook als toen en ook Jeroen vond het prettig. Hij begon zich haast als een normaal kind in een normale situatie te gedragen. Hij zat te wiebelen in z’n stoel, iets waarvoor heel veel ouders hem ene draai om de oren zouden hebben gegeven. Wij niet, wij zaten dicht naast elkaar en vrijdden voetje en dacht aan alternatieven voor penetrerende seks. Dat kan, ja het kan….

Maar niet bij het ontbijt want ik had nog steeds te maken met een klokje van gehoorzaamheid waaraan ik tegemoet moest komen. Van dat klokje was heel veel afhankelijk: huis, eten, drinkjes en noem maar op…en de auto, die natuurlijk ook. Alles bij elkaar was dat klokje nog behoorlijk onmisbaar en…voor mij was het een dagelijkse vlucht uit de sfeer in huis. Natuurlijk, die bepaalde ik voor een groot deel zelf maar ….pfff…weer zo’n vat vol gedachten in mijn hoofd en altijd weer die negatieve gedachten over de vrouw waar ik nota bene het meeste van houd, hield….   Ik kon die gedachten niet stil zetten. Vooral niet als ik eraan dacht hoe zorgeloos het allemaal nog had kunnen zijn.

Nou ja, voor zover je zorgeloos kunt leven als je een kind hebt. Mensen zeggen altijd dat je jeugd voorbij is als je kinderen hebt, dan krijg je de zorg voor ene hulpeloos wezen en toch….er is niets zo hulpeloos als een volwassenen die ongeneeslijk ziek is. Dan heb je pas met hulpeloosheid te maken. Zo’n kind, ons kind, Jeroen, hij kon het alleen maar opvrolijken. Na die verschrikkelijke keer in het ziekenhuis, was hij haast een rondrennende glimlach in huis geworden. En ja, we gingen anders met hem om dan voor die tijd. Kon het ook anders? Ons leven was toch ook volledig overhoop gegooid? Langzaamaan moesten we wennen aan de gedachte dat Jeltje dood zou gaan…eerst ziek zou worden en dan dood zou gaan. Wanneer? Dat was moeilijk te voorspellen. De dokter had gezegd dat het een paar maanden kon duren maar ook nog heel veel jaren.

Hoe leer je daarmee leven? “Mevrouw, u kunt volgende week doodgaan maar u kunt ook 80 worden…we zullen zien.”  Die doktoren zijn zo knap tegenwoordig…of misschien toch niet? Soms zaten we samen een potje te schelden op de huisarts en het ziekenhuis en op alle specialisten die we kenden en de apotheker en dan maakten we onszelf wijs dat we daar iets aan hadden. Het werd soms zelfs laat en dan ging het schelden over in zoenen en strelen en seks zonder seks omdat we gewoon niet in elkaar durfden te komen. Maar houden van elkaar…ja dat maak je met een ziekte niet kapot…

Soms hadden we de hoop dat onze liefde de ziekte kapot zou krijgen maar die gedachte vervloog week na week en op ene goeie dag zei Jeltje, ” jongens, als ik ga sterven, willen jullie dab ook niet net blijven doen alsof ik er nog ben? Sommige mensen doen jarenlang of de overledene er nog is. Dat doen ze uit respect of uit gewoonte off allebei tegelijk…mij moet je meteen vergeten.”  En toen huilden we…Jeroen niet, die begreep niet goed waarom zijn moeder het had gezegd. Hij had de woorden wel gehoord maar hij begreep nog niet dat het allemaal dichterbij was dan hij dacht.

We zaten nooit meer op de grond. Sinds Froukje de deur uit was, zaten we weer altijd op een stoel en heel vaak aan tafel om te eten. Het leek weer steeds meer een gezin. Een gezin waaraan je aan de buitenkant niets bijzonders kon zien. Die zomer ging Jeltje met mooi weer zelfs weer naar buiten. Het kostte haar moeite om in de zon te zitten maar in de schaduw kon ze het lang volhouden. Ze voerde zelfs weer vrolijke gesprekjes met de buurvrouw en als die vroeg waarom ze was opgehouden met werken, dan zei ze doodeenvoudig ” Voor Jeroen.”  Dat begreep iedereen.

XXXII

Liefde overwint alles, zeggen ze…en ja, het heeft ons een tijdlang goed vooruit geholpen. We hebben geen herrie gemaakt over de oorzaken van de hiv-explisie in huis. We hebben nooit uitgezocht wat nu werkelijk de oorzaak was. Die diende zich op een goeie dag uit zichzelf aan…

Zover was het nog niet op die woensdag dat Jeltje plotseling verschrikkelijk begon te spugen…meer dan verschrikkelijk. Het leek erop dat haar slokdarm door haar mond naar buiten wilde komen. Er kwam geen eind aan het kokhalzen, ook niet toen haar maag al helemaal leeg waren. Haar darmen namen daar trouwens geen genoegen mee want vrijwel meteen daarna rende ze naar de WC en liet ze een lading diarree los zoals ik nooit eerder had gezien. Ik hoorde de meest verschrikkelijke geluiden van de WC komen terwijl ik bezig was de boel te ruimen…

“Het is de bijwerking van de aidsremmers, zei ze mat. ” Die beginnen hun tol te vragen. Ik ben zo misselijk als een kat  en het maakt niet uit of ik net gespuugd heb of niet. Ik voel me ziek, zo verschrikkelijk ziek en het ergste is nog dat ik straks weer iets moet innemen tegen de misselijkheid. Op die manier word ik echt een pillendoos!”  De tranen spoten nu uit haar ogen en ze dook met haar gezicht in mijn schouderholte. ” O, wat hebben we toch misdaan, waarom moet dit, ik kan dit echt niet meer….”  Haar adem begaf het bij tijd en wijle tussen de lange, huilende uithalen en haar woorden. Die gingen onder in het tranenwater dat haar beheerste. En ik? Ik probeerde mijn verdriet in stilte weg te slikken. Wat was mijn verdriet tegenover het hare? De vrouw waar ik zoveel van hield, mijn meesteres, mijn gids, mijn eeuwig verlangen…

We aten in stilte. De emoties van die ochtend lieten geen woorden meer toe, ze zouden stuk voor stuk kapot zijn gevallen op dat wat we hadden beleefd. Zelfs het kauwen ging langzaam en bij Jeltje met tegenzin. De misselijkheid had zich wat teruggetrokken maar ze was nu bang dat het elk moment terug zou kunnen  komen. Ze at uiterst kleine hapjes en dan nog heel langzaam achter elkaar ook. Alsof ze over ieder hapje nadacht als een belangrijke stap in haar leven. Ik besloot niet sneller te eten dan zij, ik wilde dat we bij elkaar hoorden, samen oplopen…zo zou het moeten zijn….

De misselijkheid werd niet minder en het spugen en de diarree ook niet. Integendeel , het kwam steeds vaker voor en inderdaad vroegen we om pillen tegen de misselijkheid. Dat was dan weer moeilijk want als het tegen zat , spuugde ze de pillen uit tijdens één van haar kotsbuien en dan hielpen ze dus weer niet. Het was ellendig om aan te zien hoe ze haast elke dag bleker en magerder werd en hoe ze meer door huis begon te strompelen. Het was raar, soms had ik het idfee dat ze helemaal niet echt ziek was maar dat ze zich alleen maar beroerd voelde. Onzin natuurlijk maar het was een beeld en misschien ook wel een stille hoop.

Die woensdagavond kwam ik thuis en hield ik haar stevig in mijn armen en voelde ik hoe heel haar lichaam trilde. ” Laten we gaan zitten”, zei ze zacht. Haar benen voelden aan als gummi, zei ze en fatsoenlijk staan was er niet bij. Honger en misselijkheid vochten in haar lijf om de heerschappij. Zo zei ze het zelf ook en vaak had ze het gevoel zelf helemaal buiten die strijd te staan. Alsof ze er part nog deel aan had. En ik wist dat ik er in elk geval niets aan kon doen. Die machteloosheid, die voel ik nu pas ten volle. Niet op die woensdag en niet op alle dagen die erna kwamen. Niet bij elke keer als ik haar in m’n armen nam. Nee, dan niet….

Ze vermagerde niet snel en ook niet alsmaar achter elkaar door. Van tijd tot tijd ontstonden er zelfs vetophopingen op plaatsen waar ze ze vroeger nooit had gehad, waar ze vroeger niet te dik was geweest, op haar heupen, bleef het nu plotseling hangen. En op haar bovenarmen ook….  We deden geen moeite meer om die plotselinge  veranderingen weer terug te draaien. Er waren belangrijker dingen te doen. Aan Jetljes lijf geen Sonja Bakker. Belangrijker was het om van elkaar te genieten, zoals we waren.

We knuffelden bijna de hele tijd als ik thuis was. Op sommige dagen kwam ik heel laat thuis omdat ik als partner in het bureau nu eenmaal nogal wat verantwoordelijkheden had. Het voordeel was dat we geregeld op stap konden gaan met z’n drieën, geld genoeg, auto aan…en wegwezen, naar de mooiste plekjes van het land, de leukste winkels en soms, een heel enkele keer naar een bijzonder restaurant. Dat laatste was natuurlijk wel oppassen gezien de misselijkheid.

Jeroen vond het allemaal prirma. Hij scheen het vooral heel belangrijk te vinden om dicht bij zijn moeder te zijn en hoewel hij er eigenlijk te groot voor was, lieten we hem soms tussen ons in slapen. Hoelang zou hij nog van zijn moeder kunnen genieten? Van haar aanwezigheid, haar knuffels en haar zorg? De problemen op school waren voorbij nu we hem meer aandacht gaven en dat was ook voor ons een opluchting. Natuurlijk omdat we hem het liefst gelukkig zagen maar ook omdat een extra probleem erbij niet te dragen viel….

.

Advertenties